De Bergerschans weer op de kaart gezet

Geplaatst op 19-12-20 door Gerhard Vedder

Met het wereldkundig worden van de Erfgoedkaart van de gemeente Emmen op 3 december 2020 hebben wij, als Historische Kring Erica, ook weer aandacht gevraagd (en gekregen) voor de Bergerschans, een verdedigingswerk dat ooit, daar op de uitloper van de Hondsrug, de zandweg van Schoonebeek naar Emmen extra “beveiligde”.

Ooit werd het bestaan van de Bergerschans sterk betwijfeld. Inmiddels weten we dat hij daar lag waar de huizen aan de Welhaak en de Voorreep iets hoger dan de omliggende huizen staan.

Daar waar heel, heel vroeger, als uitloper van de Hondsrug, de karresporen op de oevers van de Bargerbeek richting Schoonebeek gingen en weer terug kwamen. Daar waar de weg zich splitste, om enerzijds het spoor naar Schoonebeek te volgen en anderzijds richting Streng en Beekvenen (kommerhoek) te gaan.

Ja daar lag ooit, weliswaar nutteloos, lange tijd de (vervallen) Bergerschans.

En dan is er het gegeven dat Bennie Maatje jaren geleden bij graaf werkzaamheden in zijn aan de Welhaak grenzende tuin, een kanonskogel, een zogenaamde zesponder, vond.

https://www.rtvdrenthe.nl/nieuws/139140/Kanonskogel-bewijst-bestaan-Bargerschans 

Ook in het boek over “150 jaar Op Erica” wordt reeds uitvoerig aandacht besteed aan dit verdedigingswerk dat later de stichting van ons dorp Erica zou markeren.

Helaas is er niets meer, behalve dan het gegeven dat een aantal huizen aan de Welhaak hoger dan hun omgeving staan, dat aan de Bergerschans herinnert.

Toch wil ik graag met u aan de hand van een artikel geschreven door Bert Finke en gepubliceerd in “de Kroniek”, het tijdschrift van de Historische Vereniging Zuidoost Drenthe, van december 2014 nog eens ingaan op de achtergrond en de totstandkoming van de Bergerschans op Erica en de andere schansen die hier indertijd in onze Zuidoost hoek van Drenthe werden opgeworpen.

Dit alles met hier en daar een redactionele opmerking en plaatjes van de in die tijd belangrijke figuren en documenten.

De stichting van de schansen in Zuidoost Drenthe

door Bert J. Finke

In 2013 verscheen onder toezicht van de Stichting Menno van Coevorden van de hand van diverse auteurs het boekwerk “Atlas van historische verdedigingswerken in Nederland, Gronin­gen, Friesland en Drenthe”.

Een jaar eerder werd door Hans van Westing het boekwerk “Drie Drentse Schansen.  Zwartendijksterschans, Emmerschans, Katshaarschans” gepubliceerd.

In september 2014 schreef Gerrie van der Veen een korte bijdrage over “De Emmer-schans”  in de Kroniek, het tijdschrift van de Historische Vereniging Zuidoost-Drenthe.

De voormalige verdedigingswerken in de provincie Drenthe stonden de laatste jaren flink in de belangstelling. Maar uit alle publicaties werd duidelijk dat niet bekend was in welkjaar de diverse schansen in Zuidoost-Drenthe werden gesticht. Daarin is inmiddels veran­dering gekomen.

De bisschoppelijke stoel van Munster werd sinds 1650 bezet door Christoph Bernard van Galen, die liever de wapenrok dan de herdersstaf droeg.

Tussen de kerkvorst en de stad Munster was in het jaar 1655 een geschil gerezen,  voornamelijk omdat de bisschop ervoor had gekozen krijgsvolk in de zetelstad van zijn diocees te leggen. Twee jaar later vroeg de stad de Staten der Verenigde Nederlanden om hulp, die hun bemiddeling aanboden. De bisschop weigerde, maar moest na een besluit van de Nederlanden om de stad te ondersteunen, een verdrag aangaan. Dit had kwaad bloed gezet bij de bisschop en een aantal geschillen leiden tot het ontstaan van de Eerste Munsterse Oorlog.

Eén daarvan was  de bezetting van de Deyler Schans. Van Galen had zich in het voorjaar van 1664 van de schans meester gemaakt. Maar al op 31 mei 1664 werd de aanval op de schans ingezet door Willem Frederik van Oranje, stadhouder van Friesland. Op 4 juni 1664 gaf de Munsterse bezetter zich over en moest Christoph Bernhard van Galen het overgave verdrag tekenen.

Een overzicht van de schansen in Zuidoost-Drenthe. Deze foto is vanaf het informatie­bord bij Schans De Katshaar genomen.

De Eerste Munsterse Oorlog 1665-1666

1665 begon Engeland de oorlog met de Nederlanden.

Al snel deed zich voor de bisschop van Munster de gelegenheid voor zich te revancheren. In 1665 bond Engeland de oorlog aan met de Nederlanden. Karel II van Engeland vond in de Munsterse bisschop een geschikte bondgenoot om de Staten de oorlog te verklaren en vanaf landzijde de aanval in te zetten. In juli 1665 bracht de bisschop van Munster, gefinancierd door de koning van Enge­land, een leger ter been op de Lipperheide, waaraan troepen werden toegevoegd van Maximiliaan Hendrik van Beieren, keurvorst-aartsbisschop van Keulen, en Filips Willem, hertog-paltsgraaf van Nieuwburg. Op 19 september 1665 stuurde de bisschop een brief aan de Staten van Holland, waarin de oorlog werd verklaard. Op 21 september vielen de Munsterse troepen vanuit Ochtrup Twente binnen. Steden en adellijke huizen werden bezet, het platteland van Twente en de graafschap Zutphen vielen ten prooi aan plunderingen.

Eind september 1665 legden de Munsterse boe­ren,  ondersteund door de bevolking van Roswinkel, een lange brug aan over het moeras bij Ter Apel, de zogenaamde Gorgas Dijk.

Roswinkel werd door de Munsterse troepen bezet en forse schade werd toegebracht. De Munsterse troepen vielen via deze dijk Groningen binnen bij het klooster Ter Apel. Het klooster en het dorp Sellingen werden bezet. De  troepen van prins Johan Maurits van Oranje beletten aanvang oktober 1665 de bezetting van de grote steden Zwolle, Deventer, Zutphen en Doesburg. De Munsterse troepen trokken over de passen Rouveen en Ommerschans naar de noordelijke provincies.

Ommen werd bezet, maar het maken van een doorgang bij de Ommerschans mislukte. De Munsterse troepen vielen op 12 oktober 1665 het Pannenhuis bij Rouveen aan en overmeesterden de sterkte. Ze trokken vervolgens door het Drentse land naar Groningen, waarna de Staten van Friesland de verlaten schans Rouveen wederom bezetten.

Op 13 oktober 1665 trokken de Munsterse troepen naar Staphorst. Op de 14de trokken ze langs Meppel, Dickninge en Koekange naar Ruinen.

Op 15 oktober marcheerden de Munsterse troepen naar Assen, waarbij Witten en Assen werden geplunderd.

Op 16 oktober trokken de bisschoppelijke troepen langs Rolde naar Zuidlaren. De Munsterse troepen passeerden de pas van De Groeve, trokken over de Foxholsterbrug tussen Zuidlaren en Hoogezand het Groningerland binnen en gingen via Kropswolde en Sappemeer naar Winschoten.

Het Oldambt en de schans Winschoterzijl werden bezet. De Munsterse troepen maakten op  18 oktober 1665  kwartier bij Winschoten. Op 25 en 26 oktober 1665 viel het bisschoppelijk leger de Bourtanger Schans aan, maar die wist stand te houden. Er werd een tegenaanval ingezet door de  Staatse troepen. De Munstersen trokken zich terug uit Winschoten, Heiligerlee, Ter Apel en alle kleine forten, met uitzondering van het Huis te Wedde.

Op 26 december 1665 moesten de bisschoppelijke troepen hun schans in Winschoten prijsgeven. Als gevolg van de invallende dooi verloren de Munstersen op 18 januari 1666 het Huis te Wedde.

Eind december 1665 vielen 1000 Munsterse ruiters via Schoonebeek Drenthe binnen.

Schoonebeek werd geplunderd en de troepen trokken richting Emmen.En daarbij moeten ze over de zandweg gekomen zijn die 200 jaren later de Emmerweg zou gaan heten en nog later en tot op heden Havenstraat.

Ze hielden zich een dag schuil in het veld tussen Emmen en Valthe. Op 26 december 1665 vielen de Munsterse troepen, via het Valtherveen, Emmen aan met 400 man, waarna Emmen werd bezet. Een dag later trokken de troepen zich terug uit Emmen, waarna het garnizoen van Coevorden uit wraak plunderend door de graafschap Bentheim trok. Aanvang januari 1666 vielen de Munsterse troepen over de bevroren moerassen Vriezenveen aan, dat werd geplunderd. In februari 1666 plunderden ze Vriezenveen nogmaals. In februari 1666 werd een traktaat gesloten tussen de Staten van Holland en de keurvorst van Brandenburg over de aanval op de Munsterse troepen indien deze zich niet zouden terugtrekken.

Christoph Bernhard Freiherr von Galen (meestal Bernard van Galen) (Drensteinfurt, 12 oktober 1606 – Ahaus,19 september 1678), bisschop van Munster.

 

De bisschop van Munster, Christoffel Bemhard van Galen, kreeg daardoor tegenover zich het  Staatse leger, de troepen van Luneburg, Brandenburg en het Franse leger. Op 18 april 1666 werd in Kleef de “Eeuwige Vrede” gesloten tussen de bisschop van Munster en de Staten van Holland.

Eind mei 1666 gaf Van Galen opdracht tot ontruiming van het Staatse gebied.

Wat is er bekend over de stichting van de schansen?

Bij zijn opmars stuitte de Munsterse bisschop op diverse verdedigingswerken. De diverse auteurs van de boeken over de schansen in Noord-Nederland hebben gegist naar de ontstaansperiode van deze vestingwerken in Zuidoost-Drenthe.

Even op een rijtje wat over de schansen is geschreven.

Bargerschans

De Barger- of Bergerschans lag op de pas vanaf Schoonebeek door het veenmoeras naar het dorp Zuidbarge en liep langs de Bargerbeek. In augustus 1665, kort voor de eerste Munsterse inval, schreef kolonel Broersema, de commandant van vestingstad Coevorden, dat het wenselijk zou zijn op een zandkopje in deze passage van Emmen naar Schoonebeek een redoute aan te  leggen.

Volgens de amateur archeoloog en schrijver H. J. Versfelt* zou de redoute er pas in de eerste helft van de 18de eeuw komen, maar niets blijkt minder waar, zoals we hierna zullen zien. De bisschoppelijke troepen uit Munster zijn nooit over deze schans getrokken. De schans zal daarna in verval zijn geraakt en er bleef slechts een weg over. Bij de inspectie van de veenen in 1681 zagen de gecommitteerden de veen weg niet als een probleem .Generaal Menno baron van Coehoorn dacht daar blijkbaar anders  over. In een schrijven aan de Staten van Friesland van 4  augustus 1701 zette hij zijn plannen uiteen voor de beveiliging van de provincies Groningen en Friesland. Hierbij betrok hij de “Sandhardt loopende van Suidbergen door het moer naar Schoonebeek”.

Op de pas van Suidbergen gaande naar Schoonebeek dient een redoute geleidt waar de sandtrille eindigt, en de tot meerdere verseekering in het Schoonebeeksediep, van de source af, op distanciën te werden geleidt overvallen, om het waater, soo veel doenlijk is, in de moeren te holden.”

De  eerste plannen zijn echter niet uitgevoerd. In 1754 werd tijdens een inspectiereis door de hertog van Brunswijk- Wolfenbüttel in 1754 op de “Cathardt Pas” een vervallen redoute aangetroffen die ook al op de kaart van J. van Alberdingh uit 1688  werd  aangegeven. In 1796 onderzocht generaal Van Hooff de passage en in zijn memorie over de defensie schreef hij:

“Dan nog over het Zuidbergen veld langs het dorp van dien naam naar de Zuidbergerschans, alwaar de vaste zandgrond nog 200 honderd roeden breedte heeft. Voorts loopt door het moeras een voetpad tot op Schoonebeek, het geen zomers te voet en te paard, doch ’s winters maar alleen te voet te gebruiken is. Deeze schans, een vervallen redoute, breed in front 10 roeden, zijnde meteen gracht omringt. Op 10 a 12 roeden voorwaarts ligt een opgeworpen dijkje bekend onder de naam van Ruiterdijk, welke men denkt te voren ook tot defensie van deeze passage gedient te hebben.”

Van Hooff sprak over een dwarsdijk, die voor het werk was aangelegd en vermoedelijk de verdediging hier moest ondersteunen. Herstel van de redoute achtte hij blijkbaar niet nodig. Door het natter worden van het omliggende moeras zou het niet meer mogelijk zijn over de pas heen te trekken.

* H. J. Versfelt is geboren in 1933 in Hilversum. Hij is amateur historicus en deskundig op het gebied van de cartografie van Drenthe. Hij was als ingenieur van 1959-1992 werkzaam bij de NAM en de Shell groep en vervulde daarna bestuursfuncties bij historische verenigingen. Publiceerde onder andere de Franse kaarten van Drenthe en de Hottinger-atlas van Noord- en Oost-Nederland 1773-1794 (2003), Kaarten van Drenthe (2004) en De atlas van Huguenin, 1819-1829 (2005, samen met M. Schroor ). Schrijver van artikelen in de Nieuwe Drentse Volksalmanak over ‘Drenthe’s strijd ter zee’ (1997), ‘De Munsterse inval van 1665’ (1998), ‘De kerken van Drenthe in 1545’ (2000). Daarnaast is hij auteur van enkele werken over zijn woonplaats Gieten.

Emmerschans

Kolonel Broersema pleitte in augustus 1665 behalve voor een Bargerschans ook voor een schans aan het einde van de Emmerdijk.

Tijdens de  inspectiereis van Willem III in 1681 was er sprake van een vervallen werk op deze plek. Er werd geconcludeerd dat dit werk is gebouwd vóór of direct na de Munsterse inval in 1672. De redoute kwam niet voor op de kaart van Alberdingh uit 1681.

De Emmerschans in 2014

In 1796 richtten de kerspellieden van Emmen zich tot het bevoegde gezag met het verzoek ‘een wagthuis op de schans aan de Emmerdijk’. Directeur-generaal Van Hooff inspecteerde in 1796 het gebied en bezocht de Emmerdijk en constateerde: ‘aan het begin van deze dijk ligt een vervallen redoute in front breed 6 Roeden (22,6 m) ’.

Als advies werd gegeven de Emmerdijk van een redoute te voorzien. In het najaar van 1799 werd deze redoute aangelegd en op 4  november 1800 werd geschreven: ‘Het werk zelfs voldoet compleet aan de verwachting, zijnde de plaatsing van de redout exact op de afscheiding van het veen met het zand bepaald, zodanig dat ene der gragten nog merkelijk het veen is ingesprongen, zijnde de passage omde redout heen geleid.

In 1936 ontstond een discussie tussen prof. dr. A.E. van Giffen en H.T. Buiskool, het hoofd van de openbare lagere school te Weerdinge. Van Giffen had namelijk aangegeven dat de Emmerschans van 1800 dateerde en Buiskool was van mening dat de schans veel ouder was en zelfs omstreeks 1593 werd aangelegd. Had men toen de beschikking gehad over de Hottingerkaart, dan hadden de strijdende partijen in ieder geval moeten concluderen dat er een onderzoek punt was, want op deze kaart uit de periode 1788-1792 stond de Emmerschans al aangegeven. De melding van een schans in 1796 werd door Van Giffen uitgelegd met het vermoeden dat dit slechts een voorlopige aanleg zou zijn geweest en dat een paar jaar later de definitieve Emmerschans werd aangelegd. In 1960 deed Van Giffen een opgravingonderzoek aan de Emmerschans ter voorbereiding op de restauratie. En toen kwam hij  met de conclusie dat er blijkbaar sprake was geweest van een voorganger van de schans uit 1799: ‘Het is thans wel duidelijk, dat de in 1800 aangelegde schans niet op een ongerepte grondslag rust. Integendeel, er onder bevinden zich oudere cultuur-overblijfselen, blijkbaar van een vroegere versterking. Deze werd reeds eerder, hier of althans in de nabijheid, vermoed op grond van overlevering en archivalia. Door enkele gegraven proefsleuven kwam namelijk vast te staan dat onder de huidige schans, binnen de begrenzing van het binnenplein, een oudere schans was gelegen.

We zullen hierna zien dat beide heren een juist standpunt hadden. Van Giffen dateerde de schans op 1800 en dat was juist voor zover dit betrekking had op de vernieuwde schans. Buiskool was iets te enthousiast geweest met de datering, maar hij had wel degelijk gelijk dat er sprake was van een oudere schans, zoals we hierna zullen zien.

De nieuwe Emmerschans werd in 1854 als vestingwerk opgeheven. De markegenoten van Emmen en Westenesch, die het object in 1935 in eigendom hadden, schonken het aan de Stichting Oud-Drenthe.

De Emmerschans werd in 1960 – ­1961 gerestaureerd op basis van het vestingplan uit 1800.

Ten Hole

De schans Ten Hole lag op korte afstand van het gelijknamige dorp Den Hool op de weg van Dalerveen naar Emmen. In 1593, tijdens de Tachtigjarige Oorlog, was de Spaanse veldheer Frederik van den Berg al eens met een troepenmacht vanuit Duitsland over deze pas naar de stad Groningen getrokken. Volgens Dr. Johan Picardt waren er in de Tachtigjarige Oorlog, in 1596, al dertig Staatse soldaten gelegerd te Ter Hole. Zij moesten de plunderende Spaanse soldaten bestrijden. Kort na 1600 trok het Spaanse leger onder leiding van Ambrosius Spinola op naar het oosten van Gelderland en Overijssel en namen daar Groenlo, Oldenzaal en Lochem in.

Gedeputeerde Staten van Drenthe besloot daarop in haar vergadering van 11 oktober 1605 tot oprichten van een aantal fortificatiewerken aan de zuidgrens van de provincie, o.s. bij Dae(r)lerveen. Het duurde nog ruim vijftien jaar voordat er een versterking kwam. De schans Ter Hole werd in 1621 gerealiseerd. Op 13 augustus 1628 kreeg ingenieur Jacop Slijp, die bezig was nabij de Dollard de Nieuwe- of Langakkerschans te bouwen, opdracht de redoutes bij Valthe en Den Hool te versterken.

Ambrosius Spinola, Markies van Balbases , geboren in Genua 1569 gestorven op 25 september 1630 te Castelnuovo Scrivia – Italië.

In augustus 1628 begon hij met het werk. De schans kreeg onder andere twee nieuwe bastions, die met geschut werden bewapend. In de oorlogsjaren 1624-1648 en tijdens Munsterse Oorlogen 1665-1673 was de schans met garnizoen bezet en van belang voor de landsverdediging. In 1655 besluiten de Raad van State dat de schans ten Hoole hersteld moet worden.

In oktober 1665 wist een grote Munsterse legereenheid door verovering van de schans bij de Lichtmis Drenthe binnen te dringen. Na al plunderend door de Landschap te zijn getrokken legerde deze troepenmacht zich in Oost-Groningen waar zij geruime tijd bleven liggen. Een hernieuwde aanval op Zuidoost-Drenthe leek tot de mogelijkheden te behoren en besloten werd aandacht aan de schansen te schenken. In november 1665 werden de hutten in de Holerschans gerepareerd. Ook bleek het nodig te zijn de kanonnen waarmee de schans was uitgerust van affuiten te voorzien, moest de gracht die slechts drie voet diep was worden uitgegraven en waren stormpalen nodig. Toen de oorlogsdreiging in de jaren daarna langzamerhand afnam, verminderde de aandacht voor de schans en werd het onderhoud verwaarloosd. Midden volgende eeuw was de schans nog verder in verval geraakt en werd uiteindelijk geheel afgegraven. In 1796 schrijft generaal Van Hooff in zijn memorie van defensie dat de schans Den Hool ‘thans geheel geslegt en tot Saailand gebruikt is’.

Katshaar

De eerste informatie over het strategisch belang van de Katshaar – de pas van Emlichheim naar Dalerveen – komt uit 1628. Graaf Ernst Casimir van Nassau dient een verzoek in bij de Staten-Generaal om de pas van Schoonebeek te mogen fortificeren, waartoe wordt besloten. Maar het onderhoud blijkt moeilijk, want bij een inspectie van de zuidgrens van Drenthe in 1636 wordt gemeld: ‘Is den Ingenieur Heixan gelastet op Dalerveen bij de Katsharen alle rillen te stoppen ende door stowinge der wateren de morassen aldaer impassabel te maecken.’ In vredestijd werd de pas van Schoonebeek over de Katshaar naar Dalen ook gebruikt door de lokale bevolking. In 1641 vaardigde Sterckenburg, de commandeur van de vesting Coevorden, een verbod uit op het gebruik van de pas door de inwoners van Schoonebeek. Omdat er slechts over een pas wordt gesproken lijkt het er op dat de begin 17e eeuw aangelegde schans al vóór 1640 is verdwenen.

 Ernst Casimir (Dillen­burg, 22 december 1573 – Roermond,2 juni 1632), graaf van Nassau-Dietz (1606­-1632), stadhouder van Friesland (1620-1632)en stadhouder van Staden Lande en Land­schap Drenthe (1625­-1632).

Tijdens de halfjaarlijkse inspectiereizen die de Raad van State had verordonneerd, maakten de gecommitteerden op 10 oktober 1657 een tocht per wagen langs de paden ten oosten van Coevorden. Na een bezoek aan de schans Ten Hole bereikte het gezelschap een zekere hoogte genaamd ‘de cleine en groote Catshaer’. Van hier voerde, zo meldden de gecommitteerden, een vaste passage van harde zandgrond naar Vlieghuis. ‘Onzes inziens dient dese plaats voor tyt van noot verseeckert om alsoo de passage als het overbrengen van peerden te beletten, synde dese plaats veer af van Coevorden en niet te bewaren als met daer leggen een fortien op de cleine Catshaer’. Kolonel Broersema, commandant van de vesting Coevorden, schreef dat het wenselijk zou zijn een redoute aan te leggen en schrijft in 1665 dan ook: ‘op de pas van Schoonebeek diende men een Redout te leggen bij het huis van Wijter Quest, zijnde laatste huis aan de Dalerveen’. Door een aantal auteurs wordt gemeld dat tijdens de eerste aanval van de bisschop van Munster in 1665 er nog geen versterking op de Katshaar aanwezig was. Zoals we hierna zullen zien, blijkt dit niet juist te zijn.

De schans is voor het eerst ingetekend op de kaart van Van Alberdingh uit 1681 en heeft nooit een rol van enige betekenis gespeeld. De schans fungeerde vooral als controlepost voor het grensverkeer. In 1681 stellen de gecommitteerden uit de Staten-Generaal en de Raad van State en Gedeputeerde Staten van Friesland een proces-verbaal op over de mogelijkheden om de moerassen bij Rouveen, Ommerschans, Coevorden, Ter Apel, Boertange en de Langeackerschans te inunderen (onder water te zetten) in het kader van de verdediging van het land.

Er wordt ondermeer gesproken over een ‘de Catshaer, synde een Pas, door’t Moer op een Hare, comende van Emblicamp op Schonebeek, van daer op’t Vleethuijs, dan kanmen van dese Hare passeren tot het vervallene redoutie op de Catshaer, synde dit redoutie van’t Vleethuijs met Vijftien a achtien roeden Moers gesepareert’.

In 1700 werd generaal Menno van Coehoorn verzocht een advies uit te brengen over de aan te brengen verbeteringen aan de grensverdediging. Hij stelde voor een redoute aan te leggen bij de Katshaar. Ook H. Mellema, directeur der fortificatiën in het departement Wedde en Westerwoldingerland, vond in 1726 een sterkere schans bij de Katshaar wenselijk. En ook de hertog van Brunswijk-Wolfenbüttel, veldmaarschalk over de troepen van de Staat der Verenigde Nederlanden, stelde in 1754 naar aanleiding van een inspectie van de grenzen van Overijssel, het Landschap Drenthe en het Westwoldingerland, dat het voorstel van Coehoorn uit 1700 moest worden gevolgd.

Menno, Baron van Coehoorn. Geboren op maart 1641 in Friesland en stierf op 17 maart 1704 in Den Haag. Hij maakte carrière als militair en vestingbouwkundige. Hij was 3e Inspecteur-generaal der Dienst Fortificatiën en Meester-generaal der Artillerie.

Aan het eind van de 18e eeuw werd het onrustig in de omliggende landen. In Nederland was de Bataafse Republiek uitgeroepen en gevormd naar het voorbeeld van en met militaire steun van de Franse Republiek. De landsverdediging kreeg daardoor weer aandacht.

Naar aanleiding hiervan werd niet de oude sterrenschans op de Katshaar gerenoveerd, maar werd ongeveer 500 meter ten zuiden hiervan een nieuwe schans aangelegd, die we tegenwoordig kennen als schans De Katshaar.

 

Voor de liefhebbers nog meer informatie met betrekking tot de stichting en aanleg van schansen in Zuidoost-Drenthe

De oorlogsvoorbereidingen van bisschop van Galen in juli 1665 ontgingen de Staten uiteraard niet en de noodzaak tot het aanleggen van verdedigingswerken was blijkbaar duidelijk. De Oude Staten Archieven van Drenthe geven antwoord op de ontstaansgeschiedenis ervan.

Onder inventarisnummer 490 treffen we de ‘Extraordinarise Declaratie van Betalinge bij de Landtschap van Drenthe, in Generaliteits saken ten tijde vande Munstersche invasie gedaen, vanden 1 Septemb: 1665 totten laesten Aprilis 1666. ’ aan. Hiervan maakt onderdeel uit een overzicht van de ‘Costen van fortificatie wercken ende gedeboucheert Arbeijts-loon’.

En zo kreeg vele, vele jaren later op Erica de Carstenstraat haar naam (zie hiervoor ook het boek Ericase Toponiemen van de Historische Kring Erica)

Want op 15 augustus 1665 besluiten de gecommitteerden van Friesland, Groningen en Drenthe dat landmeter Jan Carsten een aantal nieuwe verdedigingswerken moet uitmeten om een inval van de vijand te kunnen weerstaan:

No. 1. Landtmeter Jan Carsten. Betaelt aenden Landtmeter Johan Carsten, de summe van t’negentich Carolus guld(ens), denselven geaccordeert, over eenige diensten voor de Generaliteit, op Suitwolde, soo uit affsteeken van eenige wercken, als andersints, in Novembri 1665, tot voorcominge vande invall der vijanden, door expresse ordre van de Heeren Gecom. van Vrieslandt, Stadt ende Lande, ende Drenthe, gepresteert ende gedaen, Blijckende bij eene Ordonnan: vanden 15 Augusti 1665. Attestatie ende Quitan. no. jo dus hijr 90-0-0.

De locale bevolking uit de diverse kerspelen wordt ingeschakeld om in de maanden september en oktober 1665 de verdedigingswerken aan te leggen. Honderden mannen uit Dalen en Oosterhesselen, Emmen en Odoorn, Roswinkel, Schoonebeek, Sleen en Zweeloo worden gedurende enkele dagen ingezet. Er komen nieuwe schansen op de Katshaar (tussen Dalerveen en Schoonebeek), achter Zuidbarge ter hoogte van de zogenaamde Ruitersberg (de Bergerschans) en twee schansen aan de randen van het moeras bij Emmen ter hoogte van de Bekedijk (onbekende schans) en de Emmerdijk (Emmerschans). Verder wordt de Holerschans verbeterd en de gracht daaromheen schoongemaakt. En hetzelfde geldt voor de Ruiterssloot bij de Katshaar. Op het kerkhof van Emmen worden twee halve manen aangelegd.

De inwoners van Roswinkel worden op een later moment ingezet om brandhout te hakken en het slechten van de door de bisschop Van Galen aangelegde Bisschopsbrug of Gorgasdijk, waaraan ze overigens zelf bij de aanleg hadden moeten meewerken samen met de Munsterse boeren.

In de huidige arbeidstijd bedraagt een arbeidsjaar 261 dagen, zodat de aanleg van de schansen zo’n ruim elf arbeidsjaren in beslag heeft genomen. Bij huidige arbeidskosten van omstreeks € 40 per uur en een achturige werkdag, zou de aanleg nu omstreeks  € 1000.000,- aan arbeidskosten hebben bedragen. Afhankelijk van de gewerkte uren werden deze kosten door de Landschap Drenthe aan de individuele kerspelen in Zuidoost-Drenthe vergoed.

‘Costen van for­tificatie werckenende gedeboucheert Arbeijts-loon’ 

Overigens zijn dit niet de enige kosten die door de Landschap werden betaald voor de aanleg van fortificatiën. Met name werd er door diverse andere kerspelen en buurtschappen in Zuidwest-Drenthe met volle inzet gewerkt aan het aanleggen van een nieuwe schans of redoute bij Rouveen. Verder werd er een retranchement of klein schansje aangelegd tussen Ten Cate en de Ommerschans:

Veel effect heeft het aanleggen van de schans Rouveen niet gehad, want zoals we hiervoor zagen namen de troepen van de Munsterse bisschop op 12 oktober 1665 – nog geen maand na het aanleggen ervan – het verdedigingswerk al in en trokken door naar Groningen. De verlaten schans werd vervolgens weer bezet door de Friese troepen. Overigens zagen we dat de andere nieuw aangelegde schansen in Zuidoost-Drenthe hetzelfde lot was beschoren. Ook deze vielen vrij snel in handen van de vijandelijke Munsterse troepen.

De onduidelijkheid over de stichtingsperiode van vrijwel alle verdedigingswerken in het zuiden van de Landschap Drenthe is met bovenstaande weggenomen. In de maanden september en oktober 1665 vond de aanleg plaats. In de korte tijd die beschikbaar was kon er blijkbaar onvoldoende over worden nagedacht tegen welke aanvallen een goed verdedingswerk bestand moest zijn. We kunnen waarschijnlijk concluderen dat het geen goed doordachte werken waren, want de troepen van bisschop Van Galen – die met grote aantallen manschappen de belegering inzetten – overmeesterden binnen korte tijd de nieuw aangelegde verdedigingslinies en trokken op naar het noorden.

Overigens blijft de Historische Kring Erica er naar streven om op de (ongevere) locatie van de Bergerschans in het openbare groen een rustpunt en informatiebord gerealiseerd te krijgen.

 

En nu 2020 bijna voorbij is en corona regelmatig ook roet in onze plannen gooide willen wij van de HKE u, samen met al die anderen, toch mooie feestdagen wensen en hopen wij, met u, dat we straks met een opgelucht hart kunnen terug kijken op 2020 om in 2021 onze activiteiten weer met goede en frisse moed te kunnen oppakken.

 

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


2 + = elf

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.