Wonen op Erica en Omstreken (Deel 2)

Geplaatst op 19-10-20 door Gerhard Vedder

In deel 1 begonnen we met de het gegeven dat rond 1850 de eerste veen- en plaggenhutten in onze streek werden gebouwd. Gebouwd door de pioniers die onder erbarmelijke omstandigheden in het levensonderhoud van hun gezinnen voorzagen. In deel 2 pakken we de draad op, direct na de Tweede Wereldoorlog, in 1945.

Vanaf 1942 gold in heel Nederland een door de bezetter afgekondigde bouwstop. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou er in Emmen weer worden gebouwd en kreeg door de wederopbouw, de neergang van de vervening en de opkomst van de industrialisatie ook de woningbouw nieuwe impulsen en inzichten.

Industriële spreiding

In Zuidoost Drenthe zakte na de Tweede Wereldoorlog de veenindustrie volledig in met duizenden werkloze veenarbeiders tot gevolg. Als antwoord hierop kwam de verantwoordelijk minister van Economische Zaken, Jan van den Brink, met een beleid van industriële spreiding door regionale concentratie. Hij stelde voor om een aantal perifere regio’s aantrekkelijker te maken door een pakket ondersteunende maatregelen. Hij pleitte voor infrastructurele verbeteringen, aanleg van industrieparken, vestigingspremies voor ondernemers, extra woningbouw en gericht vakonderwijs. Het beleid zou zich richten op probleemregio’s in Groningen, Drenthe, Friesland, Overijssel, Brabant en Limburg. Emmen werd aangewezen als kerngemeente voor de regio Zuidoost Drenthe. Het beleid was gericht op de ontwikkeling van de periferie. Dat bleek bijvoorbeeld uit de regeling dat werklozen uit de probleemregio die zich vestigden in de kerngemeente een premie ontvingen. En ook werknemers die meeverhuisden met hun bedrijf naar een probleemregio kregen een premie. Maar tegelijk wilde het beleid ook het westen ontlasten. De ontwikkeling van economisch beleid voor Zuidoost Drenthe was een zaak van landelijke topambtenaren, in nauw overleg met burgemeester Karel Hendrik Gaarlandt en de wethouders van Emmen. Uiteindelijk was het vooral dankzij miljoenen vanuit de Marshallhulp dat in 1951 het ‘Ontwikkelingsplan Zuidoost Drenthe’ kon worden geformaliseerd. En zo had Emmen voor de tweede keer na de werkverschaffingsregeling van 1923 een Nederlandse primeur op het gebied van gerichte economische overheidspolitiek. De industrialisatie van Emmen werd zeer sterk centraal geregisseerd. De rijksoverheid bemoeide zich intensief met iedere stap. De gemeenteraad realiseerde zich dat Emmen er zonder deze rijkssteun niet bovenop zou komen. Maar de parallellen met de vooroorlogse ondercuratelestelling riepen gevoelens van ongewenste inperking van de autonomie op. Buiten de steunmaatregelen was er nog een aantal factoren dat het voor bedrijven gunstig maakte zich te vestigen in Emmen. De lonen lagen op een lager peil dan elders, er was voldoende ruimte, de grondprijs was laag en er waren “weinig eisende arbeiders zonder andere mogelijkheden”. Daarnaast was er een klein en flexibel gemeenteapparaat met als belangrijk voordeel dat dit ook nog eens grote invloed had in de woningcorporatie ECW. De toewijzing van woningen aan werknemers van de nieuw te vestigen industrieën in een gebied met grote woningnood werd daardoor wel erg gemakkelijk. Aldus werden tussen 1945 en 1950 dertien bedrijven overtuigd van het nut een vestiging in Emmen te bouwen waarvan negen in de buitendorpen. In totaal leverde dit 900 arbeidsplaatsen op. Hiervan nam de Algemene Kunstzijde Unie (AKU), die zich in 1947 in Emmer-Compascuum vestigde, er 400 voor zijn rekening.

AKU Fabriek in Emmen.

Ook de Nederlandse Aardolie Maatschappij (NAM) zorgde voor werkgelegenheid in Zuidoost-Drenthe. Nabij Coevorden werd in 1948 gas ontdekt. In Emmen werd hiervoor een gaszuiveringsinstallatie door de NAM gebouwd. Op basis van de goede ervaringen met de gemeente Emmen besloot de AKU in 1951 tot een tweede vestiging, deze keer in Emmen zelf. De AKU koos voor de kern Emmen ditmaal omdat een goed woonklimaat en voorzieningen op het gebied van onderwijs, cultuur, recreatie en medische en maatschappelijke dienstverlening ruimer in Emmen zelf voorhanden waren dan in de buitendorpen. In tegenstelling tot de conerij in Emmer-Compascuum, waar met ongeschoolde arbeid kon worden gewerkt, vroeg de nieuw te bouwen fabriek voor geheel synthetische garens namelijk een staf van specialisten en een groot arsenaal vaklieden. Naast de AKU vestigde zich nog een aantal andere industrieën in Emmen, dat zich niet zoals Stadskanaal had gebonden aan één grote werkgever. De belangrijkste daarvan waren metaalindustrie Rademakers in Klazienaveen, bestekfabriek Gero en textielfabriek Spanjaard in Nieuw Weerdinge en Heemaf elektrotechniek in Zwartemeer. Tussen 1950 en 1955 vestigden zich zestien nieuwe bedrijven in Emmendorp. In 1953 kwam de Danlon fabriek die panty’s en nylonkousen maakte. In 1954 volgde metaalindustrie Drenta.

Het Deense Danlon groeide tot 1970 gestaag uit tot een bedrijf met 1.500 arbeidskrachten met aanvullende productievestigingen in Klazienaveen en Zwartemeer. Al eerder, in 1938, begon de heren- en bedrijfskledingfabrikant Bendien een kleinschalige productieafdeling met enkele tientallen arbeidskrachten in de gemeente Emmen. Na de Tweede Wereldoorlog groeide Bendien door tot zo’n 700 arbeidskrachten in het midden van de jaren vijftig. In de jaren 1962 en 1963 werden bovendien filialen geopend in Nieuw-Amsterdam en Klazienaveen. Maar vanwege de slechte conjunctuur en concurrentie uit lage lonenlanden voor met name de textielsector sloten deze alweer in 1966. Hetzelfde gold voor de Danlon filialen in het jaar daarop. Het leek er sterk op dat de buitendorpen werden gebruikt als een reservoir van goedkopere vrouwelijke arbeidskrachten waar de bedrijvigheid, zodra het in de markt wat minder ging, weer werd afgestoten. In tegenstelling tot de kern Emmen liep de industriële werkgelegenheid in de buitendorpen vanaf de periode 1964 – 1970 terug.

Bouwwoede

In 1947 werd het woningtekort in de gemeente Emmen geschat op ruim 2600 woningen, ofwel 25% van het aantal huishoudens. Landelijk was dat 13%. In de gemeente Emmen woonden na de Tweede Wereldoorlog nog zo’n 1000 gezinnen in krotten, keten, woonwagens of anderszins slechte, verouderde woningen. Verder werden veel woningen gedeeld door meer dan één gezin. Hier kwam bij dat Emmen een geboorteoverschot had en een lagere mortaliteit dan gemiddeld in Nederland: de Emmer bevolking groeide hard. En dus waren ook hier woningen nodig; veel en snel.

Noodwoningen, Boskamp Emmen (1947)

Kort na de oorlog werd eerst een honderdtal noodwoningen en semipermanente woningen gebouwd. De noodwoningen werden gebouwd in systeembouw en waren zeer traditioneel, landelijk vormgegeven met riet gedekte daken. Tussen 1945 en 1948 werden overigens daarnaast maar 119 nieuwe woningen in de gemeente bijgebouwd. Ze werden voornamelijk gebouwd in de buitendorpen omdat zich daar de eerste industrie vestigde. Hier werden de eerste rijtjeswoningen van de gemeente Emmen geïntroduceerd. Een noviteit in het noorden was dat deze nieuwe woningen werden gebouwd in kleine, nieuwe wijkjes in plaats van tussen bestaande bebouwing. In 1948 werd het tempo flink opgevoerd met de aanleg van de eerste naoorlogse woonwijk, Emmermeer. De Enkalon fabriek had aangekondigd naar Emmen te komen en werk te gaan bieden aan een 800-tal werknemers. Al deze woningen waren nodig voor de arbeiders in de nieuwe fabrieken, ter vervanging van slechte woningen of het verkrijgen van een eigen huis vanuit een meergezinswoning. Van het type Brederode (de naam is ontleend aan de bouwer van de woningen: Bredero’s Bouwbedrijf) werden in 1949 324 woningen gebouwd. ECW bouwde stug door met als resultaat dat eind 1955 het aantal woningwetwoningen in haar bezit was gestegen tot 4138. Per saldo waren er in tien jaar tijd gemiddeld zo’n 330 woningen per jaar gebouwd.

Eind jaren veertig, begin jaren vijftig was Emmermeer de eerste grootschalige woonwijk van Emmen. De wijk groeide in de jaren vijftig door zijn opzet uit tot een interessante plek voor architecten en stedenbouwkundigen uit heel Nederland. Ieder jaar als de gemeente nieuwe woningcontingenten kreeg toegewezen werd een nieuwe architect aangetrokken. Deze architecten brachten vaak eigen ideeën, nieuwe bouwsystemen en hun eigen visie op verkaveling mee. Emmermeer werd daardoor een bijzonder veelzijdige catalogus van met name allerlei vormen van systeembouw.

Ingrijpender voor de toekomst van Zuidoost Drenthe en het uiterlijk van de gemeente Emmen was de uitkomst van de discussie van de ‘stad van dorpen-visie’ tegenover die van de verstedelijking van Emmen-dorp.

Een deel van de gemeenteraad en de verantwoordelijk wethouder Reuvers, die zelf in Erica woonde, bepleitten spreiding van woningbouw over alle dorpen van de gemeente. Deze visie wilde het traditionele dorpenkarakter behouden en mensen en industrie spreiden.

Hiertegenover stond de verstedelijkingsvisie van een ander deel van de raad, de overige wethouders en burgemeester Karel Gaarlandt. Een visie die overigens werd gedeeld door de industrie die zich vestigde of wilde vestigen, en ambtenaren op de afdeling regionaal economisch beleid van het ministerie van Economische zaken. Tot midden jaren vijftig bleef de visie van de stad van dorpen echter leidend en bleef het uitgangspunt van ‘traditionele bouw’ grotendeels in stand. Plannen werden in die jaren door de Provinciaal Planologische Dienst in Assen gemaakt voor de nieuwe woonwijk Emmermeer met vrijstaande huisjes of anders ruim verkavelde rijen huisjes.

In een interview begin jaren 90 herinnerde architect Arno C. Nicolai zich dat Reuvers en aanhang zeiden: “Niets voor onze mensen, je bent je vrijheid kwijt”.

Een sociologische studie door de Rijksuniversiteit Groningen toonde in 1953 aan dat bewoners ook wel het tegenovergestelde ervoeren. Iemand die in de studie aan het woord kwam verzuchtte dat het nu eindelijk was afgelopen met al die mensen die vroeger steeds maar ‘achterom’

kwamen waar de deur altijd open stond. Ondanks deze bouwwoede in Emmen, stonden er in 1954, met name in buitendorpen nog steeds 444 keten en krotwoningen. De voorgenomen opruiming hiervan zorgde voor extra druk op de woningmarkt.

Om hieraan tegemoet te komen bouwde ECW tussen 1953 en 1959 meer dan duizend goedkope woningen van het type ‘Gros’. De naam van dit type woning werd ontleend aan het feit dat de eerste batch van deze woningen 144 bedroeg (12 dozijn wordt een ‘gros’ genoemd). Deze eerste 144 woningen, ontworpen door architect Strikwerda, hadden geen voordeur.

Groswoningen met voordeur aan de Heemskerkstraat, Erica.

Ook op Erica werden aan de Eendrachtstraat en de Plantsoenstraat een aantal Groswoningen zonder voordeur gebouwd. De woningen staan er nog steeds.

De gedachte was: op het platteland komt niemand aan de voordeur, bezoek gaat ‘achterom’. Daardoor was er in deze eerste serie extra ruimte voor de voorkamer en werd er bespaard op de bouwkosten. Het waren betrekkelijk modern vormgegeven huizen met een lage huur van ƒ 7,20 per week.

ECW eind jaren zestig

Het bestuur van ECW bestond eind jaren zestig uit elf personen. Geheel conform de samenstelling van de gemeente was het bestuur een afspiegeling van de samenstellende dorpen. Er waren bestuursleden uit Barger-Compascuum, Nieuw-Amsterdam, Emmen, Nieuw-Weerdinge, Klazienaveen, Erica en Nieuw-Dordrecht. Vier plaatsen in het bestuur werden bezet door raadsleden, vijf door huurders. Het dagelijks bestuur van de stichting bestond uit de voorzitter, een raadslid en een huurder. Secretaris/penningmeester was de directeur van de gemeentelijke centrale boekhouding, tevens directeur van het gemeentelijk woningbedrijf. De gehele administratie en de huurincasso was in handen van de centrale boekhouding van de gemeente. Daar werkten 22 mensen voor ECW. Onderhoud van de woningen was opgedragen aan het gemeentelijk woningbedrijf. Daarvan werkten 93 mensen voor ECW. Zelf had de woningcorporatie geen personeel in dienst.

De sociale en economische achtergrond 1970 – 1990

De wereldwijde stagnatie van de economische bedrijvigheid in het begin van de jaren zeventig ging uiteraard ook niet aan Emmen voorbij. De geslaagde industrialisatie van Emmen leidde in de jaren zestig tot een snelle bevolkingsgroei die aanhield tot de halverwege de jaren zeventig. De volgende vijftien jaren vlakte de groei sterk af. Van 1960 tot 1975 groeide de bevolking met 20.000 zielen. Van 1975 tot 1990 met 6.000. Aanvankelijk werd verwacht dat Emmen in het jaar 2000 een gemeente zou zijn met 200.000 inwoners. In het ‘Structuurplan 1980’ van 1970 was deze prognose opgenomen. De gewijzigde sociaaleconomische omstandigheden maakten echter duidelijk dat dit een illusie was. De afname van groei, of zelfs hier en daar de achteruitgang, deed zich het sterkst voelen in de buitendorpen van de gemeente. Het was zelfs zo dat daar vanaf begin jaren zeventig het dienstenniveau onder druk kwam te staan. Mensen verhuisden naar Emmen. En steeds meer mensen uit de buitendorpen deden inkopen en boodschappen in Emmen. Als gevolg daarvan moesten winkeliers in de dorpen noodgedwongen hun winkels sluiten. Evenals elders in Nederland veranderde in Emmen en de buitendorpen de opbouw van de bevolking. Er was sprake van een sterk dalend geboorteoverschot en bijgevolg een dalend percentage personen tussen 0 en 19 jaar. Het gevolg was merkbaar in allerlei sectoren van het dagelijks leven: het onderwijs, de arbeidsmarkt, de hulp aan ouderen. Emmen begon te vergrijzen.

De kwetsbaarheid van de economie van Emmen werd reeds aangestipt. Enerzijds bestond de industrie uit dochterondernemingen van grote landelijke bedrijven of multinationals. Juist die werden bij economische tegenslag als eerste ingekrompen of gesloten. Anderszins nam de industrie een heel grote plaats in de bedrijvigheid van Emmen in. Een neergang in de industrie zou een zware klap zijn. In 1970 bood in Nederland de dienstensector gemiddeld zo’n 55% van de werkgelegenheid, de nijverheid 37%. Maar in Emmen was dit bijna omgekeerd. In Emmen werkte 55% van de beroepsbevolking juist in de nijverheid, en slechts 33% in de dienstensector. En binnen die 55% werkgelegenheid in de nijverheid was de confectie- en textielindustrie verantwoordelijk voor de helft van het aantal arbeidsplaatsen. Toen in de jaren zeventig lagelonenlanden de arbeidsintensieve confectie- en textielindustrie in Emmen concurrentie gingen leveren, was het pleit dan ook snel beslist. Veel productie verdween naar het Verre Oosten. Enka Emmen liep tussen 1970 en 1980 terug van ongeveer 4.200 werknemers naar 3.500, Enka Emmer-Compascuum van 500 naar nul en Danlon Emmen van 1550 naar 350 (in 1980). Anders gezegd, de werkgelegenheid bij Emmens grootste werkgevers daalde  in de jaren zeventig met maar liefst 40%.

Woningbouw in de jaren zeventig en tachtig

In 1973 werden de eerste resultaten van de achterblijvende bevolkingsgroei in Emmen zichtbaar. Het aantal woningzoekenden liep terug en er was sprake van bovengemiddelde leegstand. De groei van de nieuwe wijken Emmerhout en Bargeres verliep traag. Maar toch werden nog steeds behoorlijke bouwvolumes nieuwbouw gerealiseerd zoals blijkt uit onderstaande tabel.

Eind jaren zestig, begin jaren zeventig was sprake van verhuizingen vanuit de buitendorpen naar Emmen. Mede als gevolg hiervan viel tot 1974 de verhouding tussen in Emmen en in de buitendorpen gebouwde woningen sterk in het voordeel van Emmen uit. Dat beeld kantelde echter vanaf 1975 toen de verdeling van het aantal gebouwde woningwetwoningen veel meer in evenwicht was. Of zelfs, eind jaren zeventig, een kleine inhaalmanoeuvre voor wat betreft de woningwetwoningen in de buitendorpen liet zien. Er had altijd al ontevredenheid bestaan in de dorpen over de vermeende ‘achterstelling’ ten opzichte van Emmen bij de toedeling van nieuwe woningen. Toen de vaart er een beetje uit was in Emmen was er voor deze achterstelling ook geen reden meer. In de jaren tachtig werd het beleid de sociale huurwoningen fifty-fifty te verdelen tussen Emmen en buitendorpen. Dit was ‘een keiharde regel die zelfs tot aanpassing van projecten leidde als er ook maar één woning meer gepland stond in Emmen dan daarbuiten’.

Vroeg in de jaren zeventig drong het besef al door bij ECW dat de kort na de oorlog gebouwde woningen, eerder dan de oorspronkelijke planning aangaf, zouden moeten worden afgebroken. De aanhoudende grote onderhoudsuitgaven die nodig waren om deze woningen in stand te houden begonnen zwaar te drukken. Daarom concludeerde het bestuur in het jaarverslag over 1970 dat “aan amovering van een groot aantal woningen uit deze groep binnen de afschrijvingsperiode van 50 jaar niet ontkomen zal kunnen worden”. Vooroorlogse woningen werden ondertussen al volop afgebroken in Emmen, Erica en Emmer-Compascuum. Ook was er voldoende woonruimte om Duplex-woningen te gaan “ontsplitsen”. En er waren kleine problemen met leegstand in de wijk Emmerhout met name in de wat duurdere premiewoningen met een maandhuur van ruim ƒ 300,- van het type Castor en Pollux. Daar stond aan de andere kant tegenover dat er in 1970/1971 nog geen werkelijke problemen met de verhuurbaarheid van woningen van rond de ƒ 200,- per maand was.

Woningen type Martini aan de Heidewal, Erica

Woningen van het type Martini met deze huurprijzen vonden in zowel Emmen als ook de buitendorpen altijd snel een huurder. Dat werd enigszins anders vanaf 1972. Er werd dat jaar een recordaantal van 949 nieuwbouwwoningen opgeleverd. En prompt merkte ECW dat er ondertussen meer woningen werden aangeboden dan waarvoor directe vraag was. “De verhuur van de nieuwbouw wordt er niet gemakkelijker op.”, meldde het bestuur. Vandaar dat het besluit werd genomen om een deel van de woningen te gaan verkopen en tegelijk het bouwtempo in de woonwijk Bargeres af te remmen.

Samenwerking en of Fusies

Schaalvergroting en expansie-mogelijkheden dan wel -drift beheersten meer en meer de agenda’s van de verschillende woningcorporaties. In 1999/2000 startten daarom provinciegrens overschrijdende fusiebesprekingen tussen SWS (Slochteren)  en Wooncom (Emmen/Borger). Het zeer hiërarchisch en bureaucratisch georganiseerde moest flink wennen aan de platte SWS structuur met grote mate van zelfstandigheid tot diep in de organisatie.

Emmen 1990 – 1998 Strategisch voorraadbeleid

ECW stapte de jaren negentig binnen met een woningbezit van zo’n 15.000 verhuureenheden. In aanbouw waren 115 huurwoningen en 20 premie-A koopwoningen. Daarnaast waren 112 nieuwbouw huurwoningen en 14 koopwoningen in voorbereiding. Ruim de helft van die huurwoningen was gelabeld als ‘huisvesting ouderen’.

Een van de oudste woningen in het ECW bestand, Type 1 (1920), Erica, in 1992 gerenoveerd.

En naast nieuwbouw restte nog steeds een deel van de taak van de renovatie van het overgenomen gemeentelijke woningbezit. Er moesten nog een kleine 1.400 woningen worden aangepakt. De financiële lasten van dit werk, plus de ontwikkelingen op de woningmarkt en toekomstig rijksbeleid leidden in Emmen tot een heroriëntatie op het beheer van het woningbezit. De beleidswijzigingen legde ECW vast in de notitie ‘Strategisch Voorraadbeleid’. Hieronder werd verstaan het inzetten, op grond van een duidelijke visie op de woningmarkt, van een combinatie van middelen als sloop, renovatie, verkoop en nieuwbouw ten behoeve van de volkshuisvesting. “ECW was vanuit het perspectief van nu een slimme voorloper bij de verkoop van woningen. Daarbij liepen ze echt voor in Nederland, ze verkochten in waanzinnig tempo. Het denken erachter en schaal waarop was ‘not done’ in de rest van het land. Terwijl er een goed verhaal achter zat. Hetzelfde verhaal als veel corporaties anno 2017 nu ook vertellen. Namelijk dat je het vrijgekomen geld opnieuw kunt besteden om iets te betekenen voor de stad en voor de mensen.” Maar, nuanceerde toenmalig directielid Ton Selten: “In krimpgebieden is de verkoop van woningen gauw een ‘misdaad’. Als je aan argeloze bewoners een huis tegen marktprijs verkoopt en er zijn te veel huizen in zo’n gebied, dan kunnen ze de woning nooit meer verkopen. Voor elke woning die we verkochten sloopten we er ook een. En konden we ook bij bouwen. ECW ververste op die manier haar woningbezit. We voerden een actief strategisch voorraadbeleid.”

De sociaaleconomische situatie

In 2009, het jaar van de fusie van In, Volksbelang en Wooncom tot Lefier, bevond de Nederlandse economie zich in een diepe crisis en kromp liefst 3,9 procent. In ‘De Nederlandse economie 2009’ meldde het Centraal Bureau voor de Statistiek (CBS) dat zij, zelfs in de jaren dertig, nooit eerder zo’n sterke economische krimp had gemeten.807 De reden voor de krimp was de in de zomer van 2007 ingeleide kredietcrisis. De huizenmarkt viel geheel stil en de werkloosheid liep verder op. In totaal gaf de Nederlandse overheid tot en met 2009 € 80 miljard uit aan de crisis in de vorm van stimuleringsmaatregelen, subsidies en garanties. Door deze redding maatregelen en dankzij de lage rente van de Europese Centrale Bank (ECB) hield de overheid het financiële systeem in stand en begon het vertrouwen gaandeweg terug te keren.

Zuidoost-Drenthe kende van oudsher een sterke mate van zelforganisatie. Vanuit de in 1948 opgezette oranjecomités ontstonden in de gemeente Emmen buurt- en huurdersverenigingen. Deze huurdersverenigingen ontwikkelden zich al snel tot de vertegenwoordigers van de huurders in gesprekken met de gemeente en woningbouwvereniging ECW.

En al in 1955 hadden huurders zitting in het bestuur van ECW. Het belang dat werd gehecht aan de inspraak van huurders werd in 1957 nog eens onderstreept door een besluit van B&W van Emmen.

ECW bleef als zelfstandige corporatie gehandhaafd enkel omdat op deze manier de huurders een formeel platform hadden om te participeren in het bestuur. Een grote naam in de traditie van de Emmer huurdersinspraak is Ab Haak.

Op vrijdag 21 oktober 2016 overleed Ab Haak op 73-jarige leeftijd in zijn Woonplaats Emmer Compascuum.

Ab Haak was de grondlegger en 40 jaar lang de voorzitter van de Huurdersfederatie Emmen, waarvan hij in 2014 afscheid nam. Hij was ook de oprichter en coördinator van het Nederlandse Verbond van Huurders (NVH), één van de voorgangers van de Woonbond.

 

 

Eén reactie op “Wonen op Erica en Omstreken (Deel 2)”

  1. John schreef:

    Ook op Erica werden aan de Eendrachtstraat en de Plantsoenstraat een aantal Groswoningen zonder voordeur gebouwd. De woningen staan er nog steeds

    Moet volgens mij Eendrachtstraat e Heidebloemstraat zijn.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ 9 = twaalf

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.