Wonen op Erica en Omstreken (Deel 1)

Geplaatst op 11-10-20 door Gerhard Vedder

In artikel 22 lid 2 van onze grondwet staat: “Bevordering van voldoende woongelegenheid is voorwerp van zorg der overheid”.  Met dit in het achterhoofd schreef Bert Bulder samen met anderen in 2018 een rapport over het wonen in de periode van 1850 tot 2015 in Drenthe en Groningen. De voor Erica en Omstreken, volgens mij, relevante informatie in dit rapport wil ik graag in 2 afleveringen met u delen.

Deel 1 gaat over het wonen in de periode van de 1850 tot de Tweede Wereldoorlog en deel 2 over de periode vanaf de Tweede Wereldoorlog (waarin de woningbouw stil lag) tot 2015.

Ik hoop dat u er veel leesplezier aan beleeft.

Over de gemeente Emmen noteert het ‘Rapport inzake de huisvesting van krotbewoners’ in 1932: “Op het platteland is de arbeidersbevolking veelal (nog) minder welgesteld dan in de steden en heerst er in sommige streken een zodanige armoede, dat velen daar met de aller ellendigste behuizing genoegen moeten nemen. Een zeer sterk voorbeeld van het laatste levert de gemeente Emmen. Men heeft daar eenvoudig moeten dulden, dat arbeiders zich van wat oud hout en rommel een keet in elkaar timmerden, omdat de algemene armoede geen betere huisvesting toeliet. Deze keten vormen inderdaad het laagste peil van de volkshuisvesting in ons land”.

Het tijdvak van 1850 tot 1900 werd gekenmerkt door een naar verhouding sterke bevolkingsgroei. Emmen was samen met Bussum de hardste groeier: de bevolking verachtvoudigde. Voor Emmen (en omstreken) hing die groei direct samen met de ontginning van het veengebied en de daaraan gekoppelde vraag naar arbeidskrachten.

Plaggenhut in omgeving Munsterseveld – Emmer Compascuum

Ten slotte was er de situatie van de meest armoedige onderkomens zoals bijvoorbeeld in de gemeente Emmen. Hier was als gevolg van de ontwikkeling van de veenkolonie de bevolking in de vijftig jaren tussen 1850 en 1900 gestegen van 2.684 tot meer dan 14.000 inwoners. Ene Louise van de Pek schreef hierover: “De voorziening in de woningbehoefte die deze snelle aanwas niet had kunnen volgen, was er uiterst primitief; keten en plaggehutten moesten tot woonplaats dienen voor meestal grote gezinnen; het waren bijna zonder uitzondering eenkamerwoningen, heel vaak met lemen vloer, uit zoden en plaggen opgetrokken, slecht verlicht en bedompt, vochtig, de schoorsteenpijp eenvoudig door een gat in het dak naar buiten gebracht. Tochtig, somber, bouwvallig, zo waren de woningen en de bewoners waren een  prooi van een onbeschrijfelijke armoede.”

De woonomstandigheden in het ruime veen waren miserabel, maar ten opzichte van het wonen in dicht op elkaar gepakte, onhygiënische omstandigheden zoals in een grote stad was er tenminste één voordeel. De epidemieën die in de steden veel slachtoffers maakten, zoals cholera, pokken en roodvonk, grepen hier niet zo snel om zich heen. De groei van de bevolking tussen 1850 en 1900 vroeg samen met de op gang komende industrialisatie en landbouw op de dalgronden om meer woningen en ook een ander type woningen. Drentse veenbazen gingen over tot het bouwen van meer solide, stenen woningen. Een deel van de veenarbeiders was ook ’s winters nodig voor het laden van schepen. Ramen lieten daglicht binnen in de kamer waar ruimte was voor een kookkachel. Twee of drie bedsteden zorgden voor  krappe slaapplaatsen. Achter de kamer lag een schuurruimte zodat wat kleinvee gehouden kon worden.

Bakstenen Veenarbeiders woning Barger Erfscheidenveen

Deze woningen stonden langs het kanaal, op een vaste ondergrond van zand nadat eerst het veen afgegraven was. Ze waren een grote verbetering ten opzichte van de ‘kuilen in de grond’ die de plaggenhutten feitelijk waren.

De gemeente Emmen was wat oppervlakte betreft in de jaren twintig van de twintigste eeuw na Apeldoorn de grootste van Nederland. Emmen-dorp was van oudsher een boerengemeenschap maar ontwikkelde zich tijdens de vervening tot bestuurlijk en handelscentrum van de gemeente. Emmen-dorp werd in die periode een aantrekkelijke vestigingsplaats voor middenstanders en het aantal inwoners verdubbelde bijna in de periode 1925 – 1947 van ongeveer 7.000 naar ruim 12.000.

Keet in de omgeving van het Amsterdamseveld – Erica

Een zevental Woningbouwverenigingen in de gemeente Emmen

In de gemeente Emmen waren tussen 1919 en 1922 een zevental woningbouwcorporaties in de dorpen actief. De oudste was de in 1919 opgerichte Woningbouw voor Erica en Omstreken, in 1920 gevolgd door Stichting Emmer-Woningbouw. In 1921 kwamen er nog vijf bij, te weten de Stichting Emmer-Compascuumer Woningbouw, Woningbouwvereniging Humosa te Amsterdamscheveld, Woningbouwvereniging Volksbelang te Nieuw-Amsterdam, Stichting Woningbouw voor Klazienaveen en Omgeving en Stichting Nieuw-Weerdinger Woningbouw.

Geen van allen was een lang leven beschoren. Woningbouw voor Erica en Omstreken startte voortvarend met bouwen en binnen drie jaar had ze 46 woningwetwoningen gerealiseerd. Maar na die drie jaren achtte het Ministerie van Arbeid de algehele en financiële gang van zaken zodanig dat de burgemeester van Emmen werd voorgesteld het bezit van de stichting over te nemen. Het verwijt was dat het bestuur het beheer van de stichting “in hoofdzaak aan den architect E.H. Bos te Nieuw-Amsterdam heeft overgelaten”. Terwijl daarnaast “de boekhouding getuigde van een zoo geringe mate van bekendheid met de eischen die aan een administratie gesteld moeten worden” dat het het ministerie niet gewenst leek de boekhouding in handen te laten van het bestuur. Daar kwam bij dat het er ook nog de schijn van had dat er gemalverseerd werd.

Op 29 november 1922 werden alle bezittingen van Woningbouw voor Erica en Omstreken overgedragen aan de gemeente Emmen. De stichting had toen, volgens de Stand van Zaken van 18 maart 1922 46 woningen in bezit. In Erica waren door de Woningbouw voor Erica en Omstreken onder andere huizen van een type genaamd ‘Dolfijn’ gebouwd.

Maar Erica en Omstreken was niet de enige wier bezit overging naar de gemeente. Dit overkwam ook Humosa. Deze vereniging had volgens de Stand van Zaken van 18 maart 1922 een bezit van 8 woningen in Amsterdamscheveld, en op de verwachte huurinkomsten van ƒ 1085,- een achterstand van ƒ 476,-. Ook de Emmer-Compascuumer Woningbouw was gedwongen haar bezit van 77 woningen over te dragen aan de gemeente. Zij had in april 1922 ƒ 7.600,- huurachterstanden in de boeken staan. Volksbelang uit Nieuw-Amsterdam bezat 45 woningen, die eveneens naar de gemeente overgingen met een tekort.

Huis type Dolfijn op Erica

En ook de 56 woningen van Woningbouw voor Klazienaveen en Omgeving, met een huurachterstand van zo’n ƒ 1.300,- de 30 woningen van Nieuw-Weerdinger Woningbouw met een huurachterstand van zo’n ƒ 2.400,- en de 28 woningen van Emmer Woningbouw gingen allemaal een voor een over naar de gemeente Emmen. Het zwakke beheer van de door de corporaties gebouwde woningen en de slechte administratie leidden er zo dus toe dat binnen één tot drie jaren na hun oprichting alle Emmer woningcorporaties werden opgeheven en “citaat uit een brief van het Ministerie van Arbeid aan de gemeente Emmen. hun bezit zagen overgaan naar de gemeente Emmen.

Op 12 maart 1923 presenteerde de gemeente een consolidatieplan voor de 290 “met rijksvoorschot gebouwde woningen in de gemeente Emmen, benevens een met voorschot verkregen bestaande woning te Nieuw-Amsterdam, gemeente Emmen”. Gelijk sprak ze het voornemen uit om ze te zijner tijd, geconsolideerd, over te gaan dragen aan “een bouwstichting”. Die gemeentelijke bouwstichting had inmiddels de naam Emmer Centrale Woningbouw (ECW) gekregen bij het passeren van de oprichtingsacte op 5 april 1922.

De gemeente bouwt zelf

Tot 1945 was de volkswoningbouw vooral georganiseerd op plaatselijke of gemeentelijke schaal en per levensbeschouwing of ‘zuil’. De rijksoverheid speelde aanvankelijk een rol op de achtergrond. Vanaf de jaren 20 werd de invloed van de rijksoverheid echter groter terwijl tegelijk de financiële bijdragen sterk terugliepen. Voor de volkshuisvesting was het een roerige en moeilijke tijd met twee wereldoorlogen en een wereldwijde economische crisis.

Naast de door de woningcorporaties ontwikkelde projecten bouwde de gemeente Emmen ook zelf arbeiderswoningen. In een brief van 2 december 1921 van burgemeester en wethouders van Emmen aan de minister van Arbeid werd de moeilijke situatie met betrekking tot de heersende woningnood in de gemeente Emmen toegelicht. Gelet op de Woningnoodwet van 1918 zou 10% van de stichtingskosten van woningen voor rekening van de gemeente moeten komen. Maar de gemeente had geen geld. En gezien de op handen zijnde overname van Erica, woningtype Dolfijn lag van die kant de bouwactiviteit stil. De minister zelf had aangegeven dat er volgens hem 350 woningen gebouwd zouden moeten worden, maar gezien het grote aantal krotwoningen was de werkelijke behoefte vele malen groter. Daarom stelde B&W dat het onvermijdelijk leek dat de gemeente zelf moest gaan bouwen. Er werd op gewezen dat er dan wel hele goedkope woningen zouden moeten worden gebouwd. De werkloosheid en algemene armoede in de gemeente maakte dure woningen namelijk onverhuurbaar. De eisen die het ministerie stelde aan woningen (groot oppervlak, 3 slaapkamers) waren niet te realiseren, schreven B&W. Zij vroegen de minister om “bijzondere maatregelen in dezen uitzonderingstoestand”. De gemeente vroeg kort gezegd permissie om kleinere, goedkopere woningen te mogen gaan bouwen waarbij tekorten op de exploitatierekeningen volledig ten laste van het Rijk mochten worden gebracht.

Op 27 mei 1924 was het zover en kon de gemeente beginnen met de bouw van 100 “goedkoope arbeiderswoningen” voor een bouwprijs van 1700 gulden ieder.

Sociale en economische problemen

Ondertussen waren de economische problemen voor Zuidoost-Drenthe zo groot geworden dat in 1923 de armlastige gemeente Emmen van overheidswege werd gesaneerd. Emmen kwam als eerste gemeente geheel onder financieel toezicht van het Rijk. Het onder curatele stellen van de gemeente leidde op een aantal punten tot meer overheidssteun.

Exploitatierekening 100 goedkope arbeiderswoningen

De rijksoverheid gaf directe financiering van de begroting, startte werkgelegenheidsprojecten en stimuleerde de turfexploitatie door middel van subsidies. Het waren effectieve lapmiddelen tegen de sociale ellende. Ook het feit dat nogal wat mensen wegtrokken op zoek naar werk elders bracht verlichting. In de periode 1925-1930 vertrokken ruim 7.000 personen uit Emmen naar industriegebieden in Twente, Eindhoven en Zuid-Limburg. Philips bouwde naar aanleiding hiervan zelfs een ‘Drents dorp’.

Ondanks het aanvankelijke succes schoten deze maatregelen volstrekt tekort toen vanaf 1929 de grote economische wereldcrisis uitbrak. Tussen 1930 en 1937 raakten 3.500 van de 6.000 veenarbeiders hun baan kwijt. In 1937 was bijna een kwart van de Emmer arbeiders werkloos tegenover landelijk 11%.

Purit fabriek in Klazienaveen

Een deel van de mensen dat eerder was vertrokken op zoek naar werk en daar nu werkloos was geworden, keerde terug naar Emmen. Vandaar dat midden jaren dertig door de gemeente een industrialisatiecommissie werd opgezet om lokaal werkgelegenheid te creëren. De commissie richtte zich via B&W tot het ministerie van Economische Zaken met de vraag de industrialisatie van Emmen te bevorderen. Emmen kreeg het verzoek terug om een wervende brochure samen te stellen die het ministerie beloofde aan geïnteresseerde ondernemers door te zullen spelen. Maar ook zonder wezenlijke hulp van het ministerie gebeurde er iets. Langzaamaan vestigde zich industrie in Emmen. Zo maakt Purit al sinds 1921 actieve koolstof uit turf in Klazienaveen. Daar vestigde zich ook de nv Textielfabriek Emmen (1936). Bendien confectiefabriek vestigde zich in Emmen-dorp (1938) evenals Steenbergen Machinefabriek (1939). De textielfabrieken waren filiaalvestigingen van Twentse bedrijven. Zij vestigden zich in Emmen met name vanwege de gewoonte die in het veen bestond dat vrouwen meewerkten. En textielfabrieken draaiden bijna geheel op vrouwelijke arbeidskrachten. Helaas brak de Tweede Wereldoorlog uit en doorkruiste voorlopig de industrialisatieplannen.

Emmer Centrale Woningbouw bouwt niet

Precies op het moment dat de ECW ontstond, begon de rijksoverheid zich terughoudend op te stellen bij het verlenen van bouwvoorschotten.

Elders werd vanaf 1922 eigenlijk al niet meer gebouwd door de woningbouwverenigingen. De ECW ging dus van start in een relatief stille periode wat de huizenbouw betreft. De particuliere woningbouw zorgde voor flink wat nieuwe woningen zodat in 1926/27 de woningnood behoorlijk was gedaald. Een vertrekoverschot van 2.614 personen waardoor 373 woningen vrijkwamen hielp daarbij natuurlijk ook. Voor ECW was er in deze periode overigens genoeg werk te doen. Naast het onderhoud aan de woningen was er de uitdaging om de zeven woningcorporaties te vervlechten tot een organisatie. Daarnaast moest de administratie weer uit die van de gemeente worden ‘getrokken’. Zolang er werkzaamheden waren die verband hielden met het beheer van de door de gemeente overgenomen bezittingen gebeurde dat namelijk op de gemeentesecretarie. Dat duurde uiteindelijk tot 1926. Net als elders kwam in deze jaren veel wanbetaling voor. Dit in combinatie met kostbaar onderhoud leidde er toe dat het reservefonds van 1922 tot 1926 terugliep van ruim 17.000 gulden naar zo’n 5.500. Begin 1927 stond er een totaalbedrag van ƒ 32.433,73 uit aan huurschuld van vertrokken en/of uitgezette huurders.

Volkshuisvesting wordt een publieke taak

Er wordt weer gebouwd Vanaf 1928 werd er weer gebouwd door de ECW. Er werd aangevangen met de bouw van 25 woningen met schuurtjes in verband met krotopruiming als eerste deel van een project van 52 woningen in Nieuw-Dordrecht, Barger-Oosterveen, Amsterdamscheveld, Zwartemeer en Emmer Compascuum.

In 1929 werd begonnen met het tweede en derde deel van het project en werden de resterende 27 woningen gebouwd.182 Een uitgebreide correspondentie in deze jaren tussen het ministerie en het college van Emmen maakte duidelijk dat er binnen de gemeente behoefte bestond aan meer diversiteit in woningen. En in het verlengde daar van dus ook een meer diverse financiering dan van rijkswege tot dusverre mogelijk was. Het begon allemaal met een brief van het ministerie van Arbeid, Handel en Nijverheid van 15 maart 1930. De directeur-generaal schreef dat “In de N. R. Ct. van hedenmorgen stond een bericht dat de gemeente met de regering had onderhandeld over een hypotheek van 20% voor middenstandswoningen te bouwen door particulieren. En aangezien het departement van niets wist zo stelde de directeur-generaal zal ik gaarne spoedig vernemen of hier wellicht aan een misverstand moet worden gedacht”. Een paar dagen later ging een retourbrief van de wethouder uit met de mededeling dat het “op een misverstand moet berusten”.

Plan van een arbeiderswoning Type L 82 83

Wel is er, zo vervolgde hij, een ontwerpregeling in de raad besproken die beoogde te realiseren wat in het artikel stond. Een en ander diende alleen nog wel met de regering te worden besproken. In een brief van 9 april deed B&W nog eens uit de doeken wat het probleem is: “In het dorp Emmen bestaat namelijk niet alleen bepaalde behoefte aan arbeiderswoningen, maar nog meer aan woningen geschikt voor ambtenaren, onderwijzers en kleine middenstanders. Doordien in het dorp feitelijk geen kapitaalkrachtige timmerlieden zijn gevestigd.”

Krotwoning van de fam. Wolters te Zwartemeer in 1939

is het lastig dit van de grond te krijgen en zou een financiële regeling als voorgesteld bijzonder kunnen helpen. Daarom vroegen ze in deze brief, bij wijze van experiment, een voorschot van 20.000 gulden. In mei volgde een afwijzing op dit verzoek.

Dankzij de regeling voor krotopruiming werd er voortvarend doorgebouwd. In de periode 1931-1934 werden 75 woningen gebouwd ter vervanging van opgeruimde krotwoningen. Maar desondanks waren krotwoningen, plaggenhutten en keten nog lang niet verdwenen uit de gemeente Emmen. De bouwactiviteiten onder de regeling voor krotopruiming gingen door tot in het tweede oorlogsjaar en al met al werden tussen 1927 en 1942 552 woningwetwoningen bijgebouwd. Het woningbezit van de ECW liep daarmee op tot 812 woningen in 1942.

Vanaf 1942 gold in heel Nederland een door de bezetter afgekondigde bouwstop. Pas na de Tweede Wereldoorlog zou er in Emmen weer worden gebouwd.

Ik hoop dat u het bovenstaande dusdanig interessant en informatief vond dat u met gemak een beetje geduld kunt opbrengen om even te wachten op de publicatie van “Deel 2, de periode van 1945 tot 2015”.

3 reacties op “Wonen op Erica en Omstreken (Deel 1)”

  1. Kor Oostingh schreef:

    Interessant artikel. Alleen kloppen de jaartallen in de intro niet helemaal. In 1982 een rapport schrijven over de woningbouw tot 2015?

  2. Thea schreef:

    Heel erg interessant en ik kijk uit naar deel 2!

  3. Gerhard schreef:

    Dank U Kor voor oplettendheid. Is inmiddels aangepast.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ vijf = 11

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.