“Sprookjes” van Godfried Bomans en “De engel”

Geplaatst op 08-12-16 door Gerhard Vedder

sprookjes-bomansGodfried Bomans, geboren op 2 maart 1913 en op 22 maart 1971 op 58 jarige leeftijd overleden. Een zeer bekende Nederlandse schrijver met meer dan 60 boeken en veel andere geschriften op zijn naam. Bij het grote publiek vooral bekend door zijn in 1941 verschenen roman “Erik of het klein insectenboek.”

In 1946 verscheen, dit jaar al weer 70 jaar geleden, de 1ste druk van zijn bundel “Sprookjes”.

Bomans is nog steeds een bijzonder schrijver om te lezen. Precies zoals hij formuleert, met altijd een bepaalde ironie. Daarnaast humoristisch en doorspekt met een luchtige moraal.
Deze kenmerken komen in de bundel “Sprookjes”, die helaas niet meer in gedrukte vorm verkrijgbaar is, goed uit de verf.

En nu in de decembermaand, kerstmaand, wil ik u – als u mij toestaat – weer verblijden met een kerstsprookje en dit keer dus van Godfried Bomans.

De engel

Boven in het topje van de kerstboom daar stond een engel. Hoe zij daar gekomen was kon zij zich niet herinneren. Zij had nog een vage heugenis aan een nauwe donkere ruimte waaruit zij opeens in een kleine hand door een zee van licht getild was. Het was een glorieuze geboorte geweest en sinds dat ogenblik was zij altijd gelukkig geweest.

Dit altijd had eigenlijk nog maar een avond geduurd, maar voor een kerstengel is dat een eeuwigheid dat begrijp je wel.

Arme kleine kerstengel, zij wist niet dat het kerstfeest slechts een enkele avond duurt en dat die al bijna voorbij was.

Zij stond met een blikken knipje aan de boom bevestigd zachtjes heen en weer te wiegen en keek door haar gazen vleugels naar de lichtjes der kaarsen die beneden haar brandden.

kerstboom-met-kaarsjesEn opeens, daar doofde een kaars uit. Meerdere volgden, het werd steeds donkerder om haar heen en ten laatste zag zij alleen nog maar de zwarte nacht. De engel nieste, want de walm der gedoofde kaarsen prikkelde in haar neus. In het begin dacht zij dat het een grapje was, maar toen het donker bleef kwam zij tot nadenken.

Ik had beter moeten opletten toen het nog licht was, dacht zij spijtig. Ik heb helemaal niet goed gekeken, ik herinner mij eigenlijk niets, absoluut niets. Werd het maar weer licht en het werd licht. Maar hoe geheel anders was dit licht, grauw groezelig en met tegenzin viel het door een groot vierkant raam. En eer het ten volle ontloken was kwam er een dienstbode in de kamer, pakte de kerstboom en smeet hem op zolder.

Bom!

Daar lag de engel en keek recht in de naad van de planken vloer. Het was er verschrikkelijk koud en buitengewoon ongezellig. In het begin dacht de engel weer, kom kom het is maar een grapje. Maar toen zij daar drie volle nachten en dagen in de naad van de houten vloer gekeken had begon zij zich ernstig ongerust te maken. En hoe langer zij over het licht van het vierkante raam nadacht, hoe duidelijker begreep zij dat dit het mooiste was dat zij ooit gezien had. “Ik zal proberen het je uit te leggen”; sprak zij op een maartse dag tegen een muis die juist voorbij kwam. “Door een glazen gat in de hemel viel een verblindend licht boven op mijn hoofd. Dat is het mooiste dat ik ooit heb meegemaakt. Ik kan je niet zeggen hoe gelukkig ik eigenlijk was. Maar ik was in die tijd erg onnozel, ik besefte het niet. Nu weet ik het en nu is het te laat. Maar ik heb tenminste de herinnering.”

“Dat is altijd wat,” meende de muis na er een hele tijd over te hebben nagedacht. “Goedendag, ik moet verder.”

Op een dag kwam de meid op zolder en vond de kerstengel in een schemerige hoek op de grond liggen en zij nam haar op en smeet haar in het kolenhok. Daar lag zij, tussen twee turven, tegenover een stukje somber kijkend antraciet. Een week lang zweeg de engel, want zij vond dit geen gezelschap om tegen te praten. Doch eindelijk, op een dag in september, kon zij zich niet meer inhouden.

“Jullie hebt er geen flauwe voorstelling van, “ sprak zij, “hoe het licht op zolder is. Het doet bijna pijn aan je ogen, zó stralend is het. Jammer genoeg was ik toen te beperkt om mijn zaligheid ten volle te begrijpen. Maar ik heb nu tenminste iets om over na te denken.”

“Dat is altijd wat,” meende het stuk antraciet,“ maar ik vind de verlichting hier ook redelijk.”

De engel zweeg. Tegen zulk een bekrompen opvatting was het vruchteloos te spreken.

Op een zekere ochtend nu speelde het jongetje, dat in het huis woonde, in het kolenhok. En toen hij de engel zag, nam hij haar op en wierp haar in de vuilnisbak. Het was er aardedonker.

De engel vatte haar nieuwe toestand aanvankelijk als een scherts op, doch toen het drie dagen lang donker bleef, zó pikdonker, dat niemand in de vuilnisbank een hand voor zijn ogen zag, kwam zij tot nadenken.

Zij dacht en zij dacht en ten laatste kon zij het niet meer houden en riep: “Is hier soms iemand om naar mij te luisteren?“

“Jawel,” zei een stuk spiegelglas, “als het niet te flauw is.”

En de engel vertelde van het verblindende licht in het kolenhok en hoe verrukkelijk het daar geweest was.

“Ik was te dom,” besloot ze met een zucht,“ om het te begrijpen. Maar nu begrijp ik het. Ik zie het helemaal in .”

Het stuk spiegelglas zweeg; want het had zoveel ijdelheid in zijn leven gezien, dat het wat eenkennig geworden was.

Op een donderdag, in de namiddag, toen het al wat schemerig was, kwam de vuilnisman voorbij. Hij sloeg het deksel op en zag de engel liggen. Nu is het altijd prettig een engel te ontmoeten; doch als men vuilnisman is, gevoelt men zich dubbel verblijd. En hij stak de engel in zijn zak en gaf haar ’s avonds aan zijn vrouw. “Alsjeblieft, ”zei hij ”voor de kerstboom.”

En de vrouw van de vuilnisman borg de engel in een kartonnen doos en zette de doos in de kast.

“Hallo,“ zei de engel, na een tijdje stil te hebben gelegen, “is hier iemand?”. Maar er was niemand in de doos dan de houtwol, waarin de engel lag, en houtwol, dat weet je, heeft een zwijgzame aard. En dat was maar heel goed, want de engel had eigenlijk helemaal niets te vertellen. Want hoe zij ook dacht en peinsde over haar oude vuilnisbak, zij zag er niet meer licht in dan in de kartonnen doos, waarin ze nu lag: het was beide even donker.

En toen eindelijk, toen zij begreep dat het niet zwarter meer kon worden, liet zij het verleden varen en dacht aan de toekomst.

En een nieuw gevoel doorstroomde haar, zij gevoelde zich blij en vol verwachting. Alle spijt en alle wrok week uit haar hart, en zij lag stil en met open ogen te wachten op de kleine hand, die haar omhoog zou heffen uit het duister naar het licht.

En de hand kwam en hief haar omhoog naar het topje van een kerstboom. De kerstboom was veel kleiner dan die van het vorig jaar en er brandden ook minder lichtjes in. Maar dat zag de engel niet. Met een blikken knipje aan de top bevestigd wiegde zij zacht heen en weer en keek door haar gazen vleugels naar de vonkelende versierselen van de boom. Verrukkelijk dacht zij, verrukkelijk. Maar laat ik dit keer goed opletten. Dadelijk is het voorbij en dan wil ik alles gezien en alles geweten hebben en zij sperde haar ogen wijd open en tuurde dwars door de takken naar beneden. En zij zag de vuilnisman staan in een nieuw pak gestoken. Zijn vrouw en hun beider kind met een blauwe strik in het haar. En de ogen van het kind keken strak en regelrecht in een klein open huisje, waarin ook een man en ook een vrouw en een kind te zien waren, maar veel en veel kleiner. En verder een os en een ezel, zo groot als de beestjes in een speelgoeddoos.

kerstengelOpeens schrok de engel, want daar aan de nok van het huisje was een engel bevestigd als zij met dezelfde gazen vleugels, het zelfde lint met de handen ophoudend als zij in haar eigen hand hield. En nu voor het eerst kon zij de woorden lezen die er op stonden. Glorie aan God en vrede op aarde aan de mensen van goede wil.

En een gevoel van diep geluk doorstroomde de eenzame engel boven in de boom, die zich zolang verlaten en verongelijkt had gevoeld. Ik heb een boodschap in mijn handen dacht zij fier, nu kan mij niets meer gebeuren. Welke ongelukken mij ook zullen overkomen, ik heb mijn schat bij mij en niemand kan mij die ontnemen.

Er overkwamen haar vele ongelukken, want in het vierde jaar brak zij af van de boom en kwam in een blokkendoos terecht. En van hier uit belandde zij in de lappenmand. En tenslotte woei zij in de tuin op een hoop dorre bladeren en lag daar stil op haar rug naar de jagende wolken te kijken. En zij voelde hoe zij langzaam en pijnloos verteerde. Dag na dag. Maar zij hield het lint stevig vast en er was geen bitterheid in haar. Want zij wist dat zij een wezen was bestemd om dood te gaan. Doch uitverkoren om de goede boodschap tot het einde te bewaren.

 

Geef een reactie


+ een = 6