Siem de Mug als speurder

Geplaatst op 08-08-16 door Gerhard Vedder

TitelfotoSiem de Mug als speurder, een “spannend” jeugdboek geschreven in 1937 door Piet Adriaan de Rover.

De Rover was een Nederlandse protestants-christelijke schrijver van kinderboeken en leraar Mulo achtereenvolgens in Scheveningen, Emmen, Wageningen en Loppersum.

Hij werd op 21 oktober 1903 geboren in Hardinxveld, uit een geslacht van schippers. Piet de Rover overleed te Putten op 4 augustus 1970.

Bent u al terug van vakantie of nog niet, het maakt niet uit. Hopelijk ging alles al gepland en hebt u genoten. En terwijl u op Erica de draad weer oppakt stel ik voor dat u nog even verder geniet met het verhaal van Siem de Mug.

Siem bracht, net als Piet Adriaan de Rover, zijn jeugd door in Hardinxveld aan de rivier de Merwede, tussen Dordrecht en Gorinchem. Zijn vader zond hem naar de kweekschool, omdat de “amfibie-schipperij” terugliep. Dit is een vorm van binnen schipperij waarbij de huisvader een hele week onderweg was met vracht en zijn gezin thuis bleef.

Piet werd onderwijzer, doch bleef de schipperij liefhebben. Hij was in het bijzonder geboeid door de schippers- uit Hardinxveld en omgeving. Vandaar dat hij diverse boeken over de binnenvaart het licht deed zien maar hij schreef toch vooral, voor die tijd, “spannende” jeugdboeken die zich veelal afspeelden binnen de bescherming van een harmonieus gezin.

Piet de Rover werd leraar aan de Mulo, achtereenvolgens in Scheveningen, Emmen, Wageningen en Loppersum. In 1937 verschenen van hem o.a. de boeken: “Jantina van de turfschuit”, “Dirk de struikrooier”, “Op jacht naar boeven en “Meerkoet” en ook “Siem de Mug als speurder”.

Van dit laatste, uit 1937 daterende boek, kreeg de Historische Kring Erica een exemplaar geschonken door onze dorpsgenoot Jan van Os.

En uit “Siem de Mug als speurder” wil ik een het een en ander met u delen en ik weet zeker dat u het herkent.

Het boek telt 179 bladzijden en de avonturen van Siem spelen zich in het begin ergens aan de Merwede af, daar onder de rook van Rotterdam. Siem is de zoon van Jan Verwijk, die Parlevinkerparlevinker is. (Een parlevinker is een ondernemer die vanaf zijn boot goederen, meestal levensmiddelen, aan schippers verkoopt.)

In zijn dorp wordt Siem net als zijn vader “de Mug” genoemd. Een scheldnaam omdat ze allebei lange dunne benen hebben. De avonturen van Siem beginnen als er bij Siem thuis op een nacht wordt ingebroken en de dieven er met 3000 gulden vandoor gaan. Siem en zijn vader zetten de achtervolging in maar de dieven weten te ontkomen. De volgende dag moet Siem naar het politiebureau in Rotterdam om daar een daderbeschrijving te geven. Rechercheur Joustra raakt onder de indruk van Siem, maakt hem tot zijn assistent en samen gaan ze op zoek naar de dieven. Siem komt al snel de dieven op het spoor en hoort hoe de mannen Drents met elkaar praten. Voor Joustra is dit voldoende reden om de zoektocht naar de dieven naar Drenthe te verplaatsen.

Dan vertrekken ze met de trein naar Drenthe.

Na een lange reis over de Veluwe komen ze uiteindelijk tegen het schemerdonker aan in Zwolle. Vandaar gaat de reis verder met een, volgens de schrijver, “rammelende trein-van-een-wagen” naar Coevorden. Als ze in Coevorden aankomen is het donker geworden. Daar moeten ze overstappen in de stoomtrein, die hen “klepelend” voert naar Nieuw Amsterdam. Ze staan even op het perron en Joustra vertelt Siem van zijn eerste kennismaking met Drenthe. Dat was op een avond midden in de winter. De trein ging niet verder en daar te Coevorden zou hij afgehaald worden met een auto. Huiverend had hij op het verlaten stationsplein gestaan en een auto was er niet. Er was ook geen menselijk wezen om te informeren. Toen, ja toen had hij voor het eerst de trieste eenzaamheid van Drenthe gevoeld en een grote vreugde was door hem heen geschoten, toen de twee felle lichtogen van een auto het stationsplein opdraaiden. Maar dat was al lang geleden.

Joustra heeft even gezwegen na zijn laatste opmerking, alsof hij wachtte op Siem’s aandacht voor zijn woorden. “De Drentse kleine boer voert een zware strijd om het bestaan, een zwaardere strijd dan zijn collega op de klei.”

Uit de duisternis langs de trein duikt een conducteur op en die roept: “Dalerveen!” En de trein sjokt maar door. De trein klepelt nog wat voort en als ze na enkele minuten stopt, zijn ze in Nieuw Amsterdam. Ook hier stilte.

Joustra en Siem stappen uit, geven hun kaartje aan de chef en lopen door het hekje naar… ja, waarheen? Over een kwartier moet er een bus komen die naar Erica rijdt. Joustra schiet een jongen aan en vraagt: “Waar stopt de bus naar Erica tegenwoordig?”

Over de brug, meneer. Daor gaot ie langes. Maor je mot in ’t licht gaon staon en de hand opsteken anders gaot ie deur.”

De autobus brengt hen een kilometer of vijf verder en als ze bij het grote witte huis, waarin Joustra’s neef woont, afstappen staat daar… Jo, de dochter des huizes.

Villa Veldkamp“Dag, Jo”: zegt Joustra, “wat aardig van je om ons af te halen. Ja, ja, kom maar wat dichterbij. Ik heb nog een jonge man bij me, een leuke kerel hoor. Hier, geven jullie mekaar eens een hand.”

“Dag… juffrouw”, zegt Siem. Hij is wat verlegen.

“Daag”, zegt Jo schuchter. Zij schijnt ook al wat verlegen te zijn. Doordat ze bij een lantaarn uitgestapt zijn, heeft Siem gezien, dat Jo een flink meisje is van ongeveer 18 jaar, met een rond, vol gezicht en donkere ogen. Haar stem treft hem. Ze heeft iets warms, iets melodieus, iets van muziek in haar spreken.

Daar staat dan het grote witte huis waarover Joustra gesproken heeft. In de ruime woonkamer worden ze beiden hartelijk ontvangen.

“Zo, zo, is dat de jonge speurder?” vraagt de heer des huizes, doelend op Siem. “Nou, ik heb al iets over je gehoord, maar kerel het zal je niet meevallen ’s nachts in ’t veen. Als het ergens op aarde donker en onherbergzaam is, dan is het hier. De donkerheid op je rivier is er niets bij.”

Siem vindt het niet prettig als mensen in zijn tegenwoordigheid over hem spreken. Zijn ogen kijken opeens in die van Jo, waarop deze de ogen neerslaat. Aan de ene zijde van het grote vertrek staat een overvloedig gedekte tafel. Siem komt tot de ontdekking dat hij “Drentse stoet” best lust. Als het elf uur is wordt hem zijn slaapvertrek aangewezen. Hij zegt zijn avondgebed en zinkt dan in een koel veren bed. Vanwege alle indrukken van de dag komt de slaap maar langzaam en het laatste wat hij hoort is het afgemeten tikken van een oude Friese hangklok…

Hoofdstuk X, “IN ’T VEEN”.  

’t Kon niet anders, of Siem’s belangstelling ging allereerst uit naar het water. De brug werd juist opengedraaid en een tjalk met een hoge last turf gleed langzaam door de brug om vervolgens haar weg te vinden in de sluis. Ook hier weer een kalmte. Alles was bruin aan zo’n schip, de lading, het vaartuig zelf, de schipper en zijn gezin.

“Aha! De schipper is weer in actie”, zei opeens een welbekende stem achter hem.

“Wat een stevige tjalken zijn dit”, antwoorde Siem, alsof iemand zijn mening er over gevraagd had; “zo breed en zo’n stevige stompe kop. Die liggen vast op ’t water”.

Nova Cura in de Heemskerksluis“Dat moet ook”, gaf Joustra ten antwoord, “als je ziet wat voor een bovenlast ze soms hebben, en ze varen niet alleen op deze smalle kanalen. Ze durven ook wel breder water aan. Maar, Siem, wat denk je, zouden we niet eens aan onze zaken denken?

Siem ging naar binnen, zei Jo extra goedenmorgen, omdat ze een fijn ontbijt voor hem klaar gezet had. De heer des huizes en Joustra hadden blijkbaar al gegeten. Terwijl hij zat te ten kon hij niet nalaten zo steelsgewijs eens naar Jo te kijken, die van de kamer naar de keuken en van de keuken naar de kamer liep. Jo was een flink meisje met donkere ogen. Ze kon niet ouder zijn dan een jaar of achttien. Al werkende keek ze ook eens naar hem, glimlachte een paar kuiltjes in haar wangen en… Siem had opeens weer alle aandacht voor het ontbijt. Vreemd, dat je in de tegenwoordigheid van zo’n vreemd meisje altijd verlegen was peinsde hij. En Jo dacht: Eigenaardig, dat je altijd kleurde als zo’n vreemde jongen naar je keek…

“Goeiemorgen, langslaper”, zei meneer Veldman. “Je komt net op tijd. Nog vijf minuten en…  we waren weg geweest. Siem we gaan een mooie tocht maken naar ’t zesde blok.”

”’t Zesde blok? Wat is dat?”

“Dat is een stuk veen. We gaan een eind met de auto en verder lopen.”

“Fijn”, vond Siem, “ik ben van de partij.”

Zo was de dag weer begonnen. De nieuwe Pontiac raasde langs de weg. Meneer Veldman zat zelf achter het stuur en hield blijkbaar van een flinke gang.

“Ziezo, Siem”, zei Joustra opgewekt, “nu hebben we een mooie gelegenheid om het veen eens te bestuderen. Wees maar niet bang, zeun, ik zal geen geleerde verhandelingen houden over het ontstaan van veen en het afgraven deszelven, maar om op het spoor van de boeven te komen moeten we wel de plaatselijke toestanden kennen.

PontiacDe auto was een weg opgedraaid die het eenzame uitgestrekte veen inliep. De weg zat vol bulten en kuilen en de auto hobbelde er met een vrolijk vaartje over- en doorheen.  “Wat ligt zo’n wagen vast op de weg, hé?” riep Veldman naar zijn twee passagiers. “Hoe harder ik rijd, hoe minder last we er van hebben”. En Veldman drukte het gaspedaal nog verder in. Toen stak er opeens een varken de weg over en Joustra en Siem lagen keurig op hun knieën in het voetenpad. Het was of de wagen van achteren een kolossale duw gekregen had, waardoor de twee inzittenden heel gewoon van hun zitplaatsen geworpen waren..

Veldman keek even om, zag het komische van de situatie in en zei lachend: “Je kunt zo’n zwijn toch niet overrijden, Dan hebben de mensen van de winter niets in de kuip. Maar zeg es neef Joustra, zijn die remmen in orde of niet?”

“Puik, puik”, zei Joustra, nu ook lachend, “en hoeveel wagens verslijt je in een jaar?”

“Nou, met de vorige heb ik twee jaar gedaan. Ze hebben wel wat te lijden in het veen, maar ik rijd ze niet af tot ze versleten zijn. Voor die tijd inruilen, da’s voordeliger…”

Hoofdstuk XI, “DE ERGSTE VEENBRAND”.

In de ruime kamer van Veldman, in het grote witte huis, zaten de heer des huizes, Joustra, Siem en Jo. Mevrouw Veldman was reeds ter ruste gegaan. Veldman en Joustra praatten over de vooruitzichten van het veenbedrijf. De vervener vond die niet bijster rooskleurig.

“Zijn hier de laatste tijd nog veenbranden geweest?” vroeg Joustra. “Hebt u wel eens een grote veenbrand meegemaakt, meneer?” vroeg Siem.

Veldman keek hem eens aan, glimlachte en zei: “Ja, maar dat is al geruime tijd geleden. De ergste veenbrand, die ik meegemaakt heb, is nu, laat es kijken, bijna achttien jaar geleden. Ik weet het zo goed omdat Jo toen nog maar enkele weken oud was. Het was in mei, ik zie alles nog voor me, alsof het gisteren gebeurd is. Je kunt in mei en juni zulk droog weer hebben. Ik woonde toen in Emmererfscheidenveen. Dat zag er toen heel anders uit dan nu.

Ik keek uit het raam en mijn blik dwaalde over het veen, toen… ik over het veld in de verte opeens een rooknevel zag optrekken. De nevel werd snel dichter en weldra werden de enkele kleine huisjes daar in ’t wijde veld aan mijn blik onttrokken. De wind stak al meer op. Daarginds dwarrelden stofwolken op: de lucht werd grauw van rook en stof.

Ik schrok. Veenbrand wist ik. En… mijn vrouw lag ziek te bed.

Dichter werd de rook daarginds. En de wind was juist naar ons toe. Ik wist dat we in gevaar gingen verkeren. Mijn vrouw ontwaakte uit een lichte sluimering; ze keek door het raam…”

“Is daar brand man?” vroeg ze.

“Och een kleinigheid”, zei ik. En ik trachtte luchtig te doen.

“Maar het waait zo! En kijk eens, wat een dikke rookwolken!”

Ik ging naar haar toe en trachtte haar gerust te stellen; zei dat het nog ver van ons af was en dat er al een spuit bij was. Maar in mij was een hevige onrust. ’t Kwam wel naar ons toe. En dan…

Veenbrand 1Al nader kwam de vuurgloed. Ik bedekte de vensterbanken, de kozijnen, het uitstekende houtwerk met vochtig zand. Toen… ging een losstaande schuur aan de overzijde van het kanaal, precies tegenover mijn huis, branden. En daarnaast ging een grotere woning in vlammen op. Een op het veen gelegen huisje begon te branden… Een kwartier later was het verdwenen. Ik zag het alles vanuit mijn tuin… En toen… toen begon voor mijn voeten mijn tuin ook reeds te branden; een brandende tuin…Hoe dat kon?

Als de turf vergraven is, wordt de bovenste laag, het zogenaamde bonkveen, vermengd met de dalgrond, die bloot gekomen is. Of liever, die bovenveenlaag wordt verdeeld over de dalgrond en met een tien centimeter dikke laag zand bedekt, daarna geploegd. En zo wordt die tuingrond na enkele jaren al mooie zwarte teelaarde. Maar nu – mijn huis stond er nog maar kort – waren de veenkluiten nog goed te onderscheiden. En die veenkluiten begonnen ook reeds te branden. Ik trapte ze uit.

Nu en dan ging ik eens naar binnen, om te inspecteren of daar alles nog in orde was. Ik kon nergens brandlucht ontdekken. Mijn huis is voor de ondergang gespaard gebleven.

Tegen de avond was het gevaar geweken.

Die avond heb ik God vuriger bedankt dan ooit. En toch heb ik vaker zo laat gedacht: Waar is ons leven eigenlijk veilig? Als we op zee zijn en er komen orkanen? Of we zijn op het land en het hemelvuur bedreigt ons in hevig onweer? Neen, veilig zijn we alleen maar in ’s Heren hoede, Siem. Dit is het verhaal van de ergste veenbrand, die ik ooit meegemaakt heb…”

Voor de goede orde vermeld ik nog maar even dat het hier de schrijver Piet de Rover is, die hier in 1937 de in het boek optredende vervener Veldman zijn verhaal laat doen.     

Afijn, laten we de draad van het verhaal over Siem de speurder weer oppakken. En dat met de hoop dat Siem en Joustra toch nog, voor het eind van het verhaal, de dieven van de 3000 gulden in de kraag hebben gepakt.

Hoofdstuk XIII, SPOREN IN EEN HUNEBED.

’t Wordt een vreemde tocht deze morgen. Zo lang de zon nog niet veel kracht heeften de wind niet sterk is, verraden alleen maar wat gemoedelijke rookwolkjes, die laag langs de grond drijven, dat er vuur schuilt in  de bodem, maar met het klimmen van de zon wordt de wind sterker en krijgt het vuur een paar machtige bondgenoten. Het vuur in de venen is een onverzadigbare schrokop, die wel gemakkelijk ontketend, maar niet gemakkelijk in de boeien geslagen kan worden. De wind loeit triomfantelijk door de hopen turf en jaagt brokken vuur voor zich uit, die overal nieuwe verwoestingen verwekken. Veenbrand 3Uit de huizen vluchten de mensen, moeders met kinderen, vaders met kruiwagens, waarop in allerijl hun huisraad is geladen. Enkele huizen branden al; tal van andere worden bedreigd. Ergens achter de verstikkende rook staat een spuitje, dat een nietige waterstraal over het terrein spuit: een klein, dapper ding, met dappere mannen; maar wat baat het? Het spuitje moet telkens weer terugtrekken.

In een ander dorp staat een school. Daarheen dragen verschillende mensen hun meubeltjes; de school is nieuw een sterk sten gebouw maar ook die gaat branden. Niets blijft er van over.

Verder rijdt de Pontiac door het veengebied. En overal hetzelfde beeld. Overal die scherpe prikkelende rook waaraan geen ontkomen is.

Dan zegt Joustra tegen Siem: “Zeg, heb je wel eens een hunebed gezien?”

“Nee”, bekend Siem, “nog nooit.”

hunebedEven later zijn ze in het bos. Hoge dennen aan alle kanten. Langs de weg wat lager eikenhout, dat bronsgroen afstak tegen de donkere achtergrond. Nog even reden ze door, sloegen dan een zandpad in: hier werd het bos dichter. Een minuut of tien verder maakte het pad een scherpe bocht en vlak voor hen, op een verhoging, omringd door dicht struikgewas, lag het hunebed.

“Hier heb je dan een graf, zoals je voorvaderen ze maakten, Siem, lang voordat er dijken langs de rivieren lagen.”

Kolossaal, wat een grote stenen. En hoe hebben ze die enorme deksteen er op gekregen?“ zei Siem vol bewondering. Siem was om het hunebed heengelopen. Aan de ene zijde was het open. Hij wilde er in gaan, maar Joustra zei: “Ga er maar niet in Siem, want dat is niet bepaald zindelijk.” Maar Siem’s aandacht werd blijkbaar geboeid door iets dat daarbinnen te zien was. Dit trok de opmerkzaamheid van de rechercheur.

“Waar kijk je zo naar?” vroeg hij.

“Zo’n hunebed is toch niet bewoond?” was de wedervraag van Siem.

Joustra gaf geen antwoord, stond al naast Siem voor de open zijde. Siem ging naar binnen en raapte een sigarettendoosje op. In een andere hoek lag een leeg luciferdoosje, terwijl op de bodem tamelijk verse sporen zichtbaar waren. “Dit zijn geen sporen van jongensschoenen Siem. En aan de wijze waarop de aarde ligt kun je zien dat hier meer personen zijn geweest. Ze hebben ook gezeten; kijk, hier staan de ribbeltjes van een manchesterbroek afgetekend. En hier ligt as en de resten van een uitgeklopte pijp. Ik weet genoeg Siem”: Zei de rechercheur eindelijk.

“Vanavond hoop ik hier weer te verschijnen.”

“Wat doen jullie daar toch allemaal? Is dat zo belangrijk daar?” vroeg Jo, die een eekhoorn nagekeken had die rad van de ene op de ander boom sprong.

“Vreselijk belangrijk”, antwoordde Siem…

Siem’s afscheid van Drenthe.

Bij het afscheid uit Drenthe verkreeg Siem de verzekering, dat hij mocht komen logeren, als hij wilde, terwijl Jo beloofde, dat zij eens zou komen kennis maken met de rivier.

Of dat ook allemaal gebeurd is vertelt het verhaal van Siem de Mug als speurder niet. De laatste zin op bladzijde 179 luidt: De avonturen met de boeven zijn verleden geworden. Het heden, de arbeid, wenkt…

En wilt u weten of Siem en Joustra de boeven echt gepakt hebben?

Jawel hoor; op bladzijde174  worden de boeven door Joustra, bijgestaan door Siem, “In naam der wet” gearresteerd. Volgens de vader van Siem zijn ze “voor een jaar of tien de bak ingedraaid” en verder weet Siem’s vader dat je “geen waardepapieren meer zorgeloos in de linnenkast bewaard”.

Echter, de rode draad in het verhaal over Siem de Mug, tijdens zijn bezoek aan Drenthe, was natuurlijk die grote veenbrand, nu bijna honderd jaar geleden.

Veenbrand WilhelminaDeze veenbrand in mei 1917 was een ramp van nationale omvang. Bij de ramp kwamen zestien mensen om het leven en werden 120 huizen door het vuur verwoest. Een van de meest dramatische verhalen van de brand is dat van de familie die aan boord van een schip veilig dacht te zijn. Toch kwamen de schipper, zijn vrouw en hun zes kinderen om het leven.

Een ramp die zelfs voor koningin Wilhelmina en haar echtgenoot prins Hendrik aanleiding was om het gebied te bezoeken.

Boek over de grote veenbrand

Onlangs konden we in het Dagblad van het Noorden lezen dat Jacco Pranger – historicus uit Nieuw Buinen – eerdaags, samen met de Stichting Cultuur Historische Waarden in de Drentse veenkoloniën, een boek het licht zal laten verschijnen helemaal gewijd aan de veenbrand in Valthermond van 21 mei 1917.

We kijken er naar uit.

 

 

Geef een reactie


negen + = 18