Paasvuur Op Erica, 21 april

Geplaatst op 26-03-19 door Gerhard Vedder

Zo luidde de kop van een artikel op de voorpagina van het laatste Erica Journaal. Het artikel vervolgde met: Wegens groot succes van de afgelopen jaren en de enorme opkomst organiseert Stichting De Mammoet voor alweer de zesde keer de oeroude traditie. Dit zal wederom geschieden op de driehoekweide aan de Ensingwijk op Eerste Paasdag 21 april.

Het artikel vervolgt met belangrijke informatie over de leverdata en voorwaarden voor snoeihout en takken, maar daar wil ik het even niet met u over hebben.

Neen, mijn gedachten werden aangetrokken door de woorden “oeroude traditie”. Woorden die niet alleen Stichting de Mammoet maar ook de Historische Kring Erica aanspreken.  

Het ontsteken van paasvuren is nog steeds een levende traditie in Drenthe. Maar hoe ver gaat zo’n traditie terug en zijn daarvoor bewijzen te vinden in de archieven?
De Drentse archieven maken in 1624 melding van paasvuren in Zweeloo en Dalen en in 1630 van samenkomsten van jongeren op Pasen. In Dwingeloo wordt op Pasen de klok geluid, gedronken en vuile liederen gezongen, zo melden de verslaggevers in 1682. Ook vinden er op tweede paasdag braspartijen plaats.
De verslaggevers in kwestie zijn de visitators van de Drentse synode van de Nederduits-gereformeerde (later Nederlands Hervormde) kerk. De gegevens over de paasvuren en de daarbij gepaard gaande feestpartijen hebben de visitators niet vanuit interesse voor volkscultuur genoteerd, maar omdat ze vonden dat deze ‘abuisen’ verboden moesten worden.

Dat deze “visitatoren” (personen die namens een kerk een bezoek uitvoeren aan een parochie of kerkgemeente ) de paasvuren en de gebruiken er om heen met argwaan benaderden moge blijken uit het volgende relaas dat we kunnen optekenen uit het Nieuwsblad van het Noorden van 19 mei 1979.

Geen kerkelijk feest werd vroeger met meer luister gevierd dan Pasen, bij de Israëlieten (oude benaming voor Joden) al ten tijde van Mozes ingevoerd ter herinnering aan de uittocht uit Egypte en bij de christenen werd Pasen ingevoerd ter herinnering aan de opstanding van Jezus. Een van de hoogtepunten van de paasviering in Drenthe vormde het branden van vreugdevuren, de paasvuren op Eerste of Tweede Paasdag.

Het vergaren van brandbaar materiaal voor die vuren was een zorg van de jeugd. Die trok door dorp en gehucht om het brandbaars in te zamelen, onderwijl zingende: “Heb j’ ook oude manden (of wannen) die we Pasen branden, of een bosje riet anders hebben we Pasen niet.”

Drenthe’s eerste rijksarchivaris J. S. Magnin, verhaalt in zijn losse Bladen uit Drenthe’s Geschidenis (1856) van het plezier dat de jeugd aan die vuren beleefde. Maar ook van het verdriet dat ouders daaraan overhielden, want bij het uittrappen van de vuren schroeide menig kledingstuk.

Jean Samuel Magnin Provinciaal archivaris en historisch publicist, geboren in 1796 te Buiksloot. Vanaf 1808 werkzaam in Meppel als kantoorbediende, ongetwijfeld dankzij de familierelaties van zijn moeder, vanaf 1826 bij het provinciaal bestuur, vanaf 1827 als archivist en indexmaker. Als bijzondere opdracht kreeg hij de inventarisatie van de oude statenarchieven, waartoe in 1826 bij Koninklijk Besluit opdracht was gegeven. Met de daarmee opgedane kennis schreef hij ondanks een gebrek aan vooropleiding (hij was autodidact) de belangrijkste historische boeken uit die eeuw, De voormalige kloosters in Drenthe geschiedkundig beschouwd (1835) en Geschiedkundig Overzigt van de besturen, die vóór de herstelling van Nederland in 1814 elkander in Drenthe zijn opgevolgd (1838-1850; 5 delen). Daarnaast publiceerde hij nog enkele boeken en talrijke tijdschriftartikelen. Per 1845 werd hij officieel tot provinciaal archivarius benoemd. Vanaf de jaren ’40 assisteerde hij de Leidse archeologen Reuvens en Janssen bij hun opgravingen in Drenthe, en beheerde hij ook de vondsten, die in 1854 in het Provinciaal museum werden opgenomen. Financieel zat hij voortdurend aan de grond, ondanks een behoorlijk salaris en de bijverdiensten uit zijn publicaties. In 1857 was hij daardoor niet meer in staat zijn werk te doen, wat tot zijn ontslag leidde. Kort daarop vertrok hij naar Amsterdam.

Magnin noemt als gissing over de oorsprong van de paasvuren:

  • Het zinnebeeld van het reinigingsfeest der Israëlieten, die tegen Pasen schoonmaak hielden.
  • Een vreugdevuur voor de christenen ter herinnering aan de verrijzenis van hun Zaligmaker.
  • Een feestelijke plechtigheid ter ere van de lente en de naderende zomer (heidense overlevering) en
  • De huldiging van een nieuw jaar, dat door sommige christelijke volkeren werd gerekend met Pasen te beginnen.

Maar Magnin acht het niet onwaarschijnlijk dat de paasvuren in de plaats zijn gekomen van de eeuwenoude “meivuren”. Die brandden ook on Drenthe. IN alle dorpen en gehuchten werden op de eerste mei versierde bomen geplant en vreugdevuren ontstoken. Dat gebeuren zou herinneren aan de terugkerende zomertijd en verband houden met soortgelijke eveneens heidense vuren in Duitsland en Frankrijk.

Het branden van meivuren ging in Drenthe echter vergezeld van en werd gevolgd door zoveel “ongeoorloofde bijeenkomsten, handelingen, drinkgelagen en uitspattingen”, dat van provinciewege het planten van meibomen en het branden van gelijknamige vuren werd verboden. Bij resolutie van 24 februari 1663 zetten Ridderschap en Eigenerfden (het provinciaal bestuur) er daarom een punt achter.

Enkele passages uit die resolutie luiden als volgt:

“Alsoe ’t onser tegenwoordiger vergaderinge verscheydenen clachten ende doleantien ons van veele goede ingesetenen syn voorgecomen, over de Meyvuiren, die alomme in ’t Landt op de meyavonden, oock op de meydagen, mede wel vóór ofte daernae, gestoocket ende somwylen in de laete nachten continuëren, waartoe de tuynen ende al het holt, dat men daer omtrent can loskrygen, aengepackt ende aengelecht wordt, tot schade ende ongeryff van de Eygenaers, mede niet zonder peryckel van brandt in de dorpen en de buirschappen te brengen, om welcke vuiren oock dansen gepleegt, ende onnutte ydele Leedekens gesongen worden, ende daerop dan mede doorgaens nachtsuyperyen ende andere onbehoorlycke actien komen te volgen, tot ergenisse van veele vrome: Soo ist, dat wy, nae voorgaende deliberatie, geresolveert ende goedt gevonden hebben, de gemelteMeyvuiren ten eenemael affte schaffen”.

Afijn, zover Magnin en zijn argumenten rond de paasvuren in Drenthe.

Feit is dat het aansteken van een paasvuur een oud gebruik is waarvan verondersteld wordt dat het een voorchristelijke oorsprong heeft. Paasvuren zijn in elk geval sinds 1559 uit schriftelijke bronnen bekend. Het paasvuur wordt in verband gebracht met Ostara.

(Ostara was volgens de Duitse taal en letterkundige Grimm het Oudhoogduitse equivalent van de Germaanse godin van de lente.)

Het paasvuur (vuur en rook) zou voor vruchtbaarheid zorgen. Mensen sprongen door het vuur of werden (net als de veestapel) tussen vuren geleid. Ook vonden wilde dansen rond het vuur plaats en werd er veel gedronken. Wilde uitspattingen vonden plaats.

Ook bestaat de mogelijkheid dat de paasvuurtraditie is terug te voeren op de crematie van Julius Caesar tijdens het joods paasfeest in 44 voor onze jaartelling.

In de 17e eeuw werden er in het protestantisme pogingen ondernomen om deze traditie te beëindigen. Paasvuren werden verboden, maar toen dat niet bleek te helpen werden de paasvuren gekerstend. De Kerk maakte van het paasvuur het aansteken van de paaskaars. Ook vonden wijdingen van het paasvuur plaats, maar kreeg later na de kerstening een christelijke invulling als het licht van Pasen en teken van de Verrijzenis van de Zoon van God, het licht der wereld. In Duitsland (en ook op Erica) wordt op de paasvuren ook een pop of figuur als Judas Iskariot of een heks symbolisch verbrand.

In 1959 kreeg het paasvuur van Lunteren geen vergunning, omdat predikanten van hervormde en gereformeerde kerk het in strijd met de geest van het paasfeest vonden door de heidense afkomst. Op het laatste moment werd echter toch toestemming gegeven. Door de aandacht in de media kwamen er meer dan tienduizend toeschouwers naar Lunteren.

De paasvuren bleven ondanks de kerstening bestaan, alhoewel de betekenis en rituelen aangepast werden aan de tijd. In bepaalde gevallen werd het aansteken van het paasvuur, na een tijd van afwezigheid (net als op Erica) weer in ere hersteld.

Tijdens WO II  werden paasvuren tussen zonsondergang en zonsopkomst verboden. Toch bleef na dit verbod het gebruik van het aansteken van een paasvuur in veel gebieden bestaan.

Aan het eind van de 20e eeuw kwam het paasvuur onder druk te staan door strenge milieuvoorschriften. De bergen snoeihout werden inmiddels aangevuld met verzameld zwerfafval, maar ook met bijvoorbeeld autobanden en ander materiaal. Een verbod op paasvuren bleek echter niet overal haalbaar. In de meest plaatsen resulteerde dit in gemeentelijke bepalingen die onder andere voorschrijven dat alleen snoeihout op de paasvuurbult gelegd mag worden. Ook werden paasbulten vlakbij bebouwing verboden, dit resulteerde niet zelden in een reusachtige paasbult op een centrale plek buiten het dorp.

Tegenwoordig kijkt het publiek alleen naar het vuur, het vuurspringen en wilde uitspattingen blijven (vaak) achterwege en zijn de gezelligheid en saamhorigheid natuurlijk troef.

De paasvuren worden soms bedreigd, er wordt geprobeerd de paasbulten voortijdig in brand te steken. En af en toe lukt het dan toch het paasvuur (van rivaliserende bouwers) voortijdig te ontsteken.

Maar op Erica hebben we natuurlijk de mannen (en vrouwen) van Stichting De Mammoet die dit jaar ook weer voor zorgen voor een ordelijk en mooi verloop van het bouwen, aansteken en opbranden van misschien wel weer de hoogste paasbult in de onze regio en op Erica.

 

2 reacties op “Paasvuur Op Erica, 21 april”

  1. Rudy schreef:

    Die foto doet mij denken aan hoe wij begin jaren zeventig begonnen met de eerste paasbult op het braakliggende terrein van Wever, tegenover het kerkhof aan de Havenstraat. Wij hadden toen ook een wipkar geleend bij boer Kuper en duwden die met spierkracht over de straat om brandstof op te halen voor de paasbult. Ik weet niet hoe lang we met die wipkar in de weer zijn geweest, maar het paasvuur kwam er. En werd daarna een paar jaar op die plaats herhaald.

  2. Sientje Hof-Geraets schreef:

    Ja dat weet ik ook nog. Best wel een grote bult. Autobanden en allerlei materiaal lag erop. Met heeeeel veel zwarte rook. Het huis van Roling lag er vlak achter en zag je in de rook verdwijnen. Ik vond het prachtig.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


zes + 1 =

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.