Kerstmis Achter op Erica en op Schelerikasbult

Geplaatst op 10-12-19 door Gerhard Vedder

Nu de Goedheiligman en zijn assistenten in alle soorten en maten weer het land uit zijn en plaats hebben gemaakt voor bijvoorbeeld e de sfeervolle verlichting in de Kerklaan en de aanmeldingen voor het KerstEvent en de Kerstwandeling van Ericacarré nog steeds binnen stromen wordt het tijd voor een sage waarin de Kerstgedachte op Erica in vroegere tijden ook aan de orde komt.

Als je in vroegere tijden over de zandweg van Emmen naar Schoonebeek, daar achter op Erica bij die dikke boom aangekomen, het pad naar links, richting Streng en Beekvenen aanhield, dan zag je na ongeveer 500 meter aan de rechterkant een lichte glooiing in het land.

Daar waar de Hondsrug zich, als een stervende zwaan, nog één keer oprichtte om zich boven het Bargerveen te verheffen om er daarna in het Bourtangerveen, daar tussen het Barger Oosterveen en het Barger Westerveen definitief onder te duiken. Daar waar eerder dat jaar,  op advies van de pastoor van Nieuw Schoonebeek, de mannen net begonnen waren met het bouwen van de eerste kerk in het onmetelijke moeras en veengebied.

Sommigen hielden van overdrijven en noemden de glooiing een heuvel. En gaven hem zelfs een naam. Ze noemden hem “Schelerikasbult” en als je niet weet waarom, dan zal ik je het vertellen. Wil je het niet geloven, dan ben je daardoor nog geen beter of slechter mens.

Een oude tante van Toos heeft me eens verteld, hoe ze ertoe gekomen zijn deze zogenaamde heuvel die naam te geven.

Toen ze daar Achter op Erica zoveel last hadden van de witte wieven, die ’s nachts bij Bruuns de bijenkorven ondersteboven keerden, de sikke uit z’n hok lieten en rommel maakten, toen stond er dicht bij die schamele huisjes van de kanaalgravers één huisje, waar die witte wieven nooit kwamen.

Nou, iedereen wist dat Griete Berendsen een bijzonder kwaad wijf was, en dat Harm, sinds hij, daar achter op Erica, zijn eerste vrouw naar Marten Eskes, de doodgraver op Nieuw Amsterdam, had gebracht en hij met Griete was getrouwd, hij de hel in huis had gehaald.

Griete was niet alleen een kwaad wijf maar bovendien ook nog eens aardslelijk, maar voor Harm wel de oplossing.

Om haar – zou je zeggen – bleven die witte wieven weg, maar meestal zag men toch, dat ze het juist op een dergelijk vrouwmens erg voorzien hadden; en bang waren de witte wieven helemaal niet. Griete kreeg al snel drie kinderen bij Harm, 2 meisjes en daartussen een jongen.

Maar er was ook al een meisje in huis uit Harm’s eerste huwelijk. Ze was net zo oud als het dagen geleden was dat Harm weduwnaar was geworden van zijn eerste vrouw.

Ze was al 16 lentes jong. Een aardig meisje was het, die kleine Sientje, fijntjes van gezicht en altijd zo knap en helder; je keek er langer naar dan het eigenlijk hoorde, als je haar ontmoette.

Ze droeg een simpele witte muts, zoals de andere meisjes van zestien of zeventien jaar uit de buurt. Moeder – of liever haar stiefmoeder – zei, dat het beter was, dat ze ’s zomers blootshoofds liep. Ze had maar een simpele jurk gemaakt van rode stof. En daarmee viel ze echt wel op tussen al die andere meisjes in hun zwarte of grijze kleding. ’s Winters kon ze de schutteldoek (afdroogdoek) wel over haar hoofd slaan. En kousen in de zomer, dat was ook te verkwistend, eigenlijk was die Griete er te gierig voor. Dat was ook de reden, dat Sientje nooit met de andere jongens en meiden mee mocht naar de Emmense kermis of die van Sleen.

Altijd moest ze er maar voor zorgen dat alles aan de kant was. Ook op de deel  en in het sikkehok. Hoe of het ook kwam, nooit deden de witte wieven haar kwaad. Zelfs toen zij op een keer de mazelen had, kijk, zelfs toen was alles op de deel en overal aan kant gemaakt zonder dat iemand gezien had, hoe dat was gebeurd.

Harm was een flinke en hardwerkende man en iedereen wist dat hij een goed huis bij Griete had. En iedereen in de buurt wist ook dat die tweede vrouw van Harm rijk was, want haar vader had een eigen boerderij in Loeksham, terwijl het erf van Harm toebehoorde aan boer Garming uit Zuidbarge. Maar Aaltje, nee, die had daar niets van te verwachten. Alles bleef zo bij het oude tot de avond voor Kerstmis.

Nu was Griete de hele dag al erg kwaad geweest, want Aaltje had één van haar kinderen, die de emmer met sikkemelk uit louter kwaadwilligheid had omgegooid en toen gezegd had, dat Aaltje dat had gedaan, een draai om haar oren gegeven. Ze had Aaltje uitgevloekt en gezegd: “Van mijn kinderen blijf je af, of je gaat de deur uit.”

Toen was Sientje stilletjes in de hei achter hun huisje gaan zitten huilen en had het erg koud gekregen. Toen Aaltje thuiskwam was het al donker, maar niemand vroeg: “Waar kom jij vandaan?” Ze deden alsof ze er niet was.

Griete keek, als altijd, nors voor zich uit en zat bij het turfvuurtje het beslag voor de kerstkoeken klaar te maken en vroeg ook niet aan Aaltje om zich bij het vuur te warmen.

Een poosje later zei Griete: “Sientje, jij moet even naar de winkel bij de kerk gaan, ik heb de olie om de koeken in te bakken glad vergeten. Maar schiet wat op en loop flink door, dan word je ook zo weer warm en kun je voor elf uur best terug zijn.”

Het was in die tijd geen ongevaarlijke wandeling van Achter op Erica dwars door het veld naar de winkel bij de kerk. De klinkerweg was er nog niet, het zandpad van Emmen naar Schoonebeek betekende een omweg en Aaltje ging over de hei en tussen de veenputten door richting de kerk. En nu begon het ook nog te sneeuwen, zodat Sientje moeite had niet te verdwalen en het weer erg koud kreeg. Ze kwam bij de winkel, kreeg de olie van vrouw Hofhuis mee en haastte zich weer terug naar huis. Vanwege de sneeuw, raakte ze bij Gruwel Jan Fokkens, waar ze van het zandpad af een smal paadje over de hei moest inslaan, het spoor bijster, maar ze liep toch dwars door de hei heen, naar ze meende, richting Zuidbarge.

Opeens was het of het klaarlichte dag werd, zodat ze kon zien dat ze al bij de glooiingen van de Schelerikasbult was.

Dag worden, dat kon toch niet! Want een poosje geleden had ze de klok in de nieuwe kerk nog  half twaalf horen slaan. Nu begon de klok in de kerk te slaan, het was twaalf uur.

Mijn God, had ze zich zo verlopen en nu juist om twaalf uur bij de Schelerikasbult!

Focko de woesteling van de Bergerschans met zijn honden; die zouden nu wel komen.

Het was kerstavond en dan trok om twaalf uur de wilde jacht ook over de hei rond Erica. Angstrillingen liepen over haar rug, maar ze wilde zich niet laten kennen door al die praatjes, daar was toch niets van waar.

Op het moment dat Sientje door de bocht van de weg kwam, om over de Schelerikasbult in de richting van Zuidbarge te gaan, zag ze, dat de hele glooiing achter de kerk open was en glansde van de lichten. Ze keek in een vallei met zilver en goud en mooie stenen erin, niet om te geloven.

Toen ze goed keek, kwam er een oud wijf uit, dat scheel keek. Die riep: “Sientje, kom maar hier! Ik heet Rika en ik meen het goed met je, neem maar net zoveel als je wilt.”

Veel, nee, dat wou Sientje niet.

Ze nam, wat vlak bij haar lag en dat was een leren buideltje vol met gouden munten.

En toen weg; meteen sloeg de klok de laatste slag van twaalf en ze stond weer in het donker.

Nu was ze uit de zorgen. In het voorjaar ging ze trouwen met haar Gertjan, want de goudsmid in Assen had zoveel geld voor de zak met munten gegeven. Ze kochten een mooie lap grond en lieten er een stenen huis en boerderij op bouwen. Ze kregen al snel hun eerste kind, een zoon die Harm werd genoemd. Later kregen ze nog twee dochters, Sientje en Mientje, daar in de Kommerhoek achter Nieuw Haarlem aan de Pannekoekendijk. Opa Harm kwam regelmatig bij hen op bezoek daar in de Kommerhoek.

Griete kwam nooit mee, want je kunt je wel voorstellen, dat Griete de vrouw van Harm sindsdien erg jaloers was. Ze was inwendig erg kwaad en het volgende jaar met Kerstmis wou ze het ook eens proberen, maar ze was te gretig.

Toen ze, toen de klok 12 sloeg, op de Schelerikasbult bezig was allemaal goud op te rapen, viel na de elfde klokslag de laatste klokslag, de sleuf door de glooiing ging dicht en zij zat erin.

Zeven uur, meende ze, zocht ze voordat ze eruit kwam. Maar het waren geen zeven uren maar zeven jaren geweest en ondertussen was Harm weer getrouwd met een andere en betere vrouw. Toen ze dat zag, veranderde ze van kwaadheid in een kat en als je nu op kerstavond daar achter de kerk bij de Schelerikasbult komt, kun je Schele Rika daar nog zien zitten.

En je moet dus oppassen voor die duivelse zwarte kat, die daar, net als de honden van Focko, altijd nog rond spookt en je laten schrikken en probeert te krabben. Want nog steeds geldt: “Een gewaarschuwd man/vrouw telt voor twee.”

9 reacties op “Kerstmis Achter op Erica en op Schelerikasbult”

  1. Thea schreef:

    Wat ‘n verhaal, geweldig! Achter op Erica was bij ons richting Emmen 🤔

  2. Gerrit schreef:

    Geweldige mooie verhaal.

  3. Siny Hofstede schreef:

    Is Aaltje in dit verhaal een vergissing van de schrijver?
    Verder een leuk verhaal met herkenbare plekken en namen

  4. Gerrit schreef:

    Geweldig verhaal 🤔

  5. H. Sijbom schreef:

    Leuk verhaal. Had er nog nooit iets van gehoord

  6. Francien Boeve schreef:

    Een mooi streeksprookje

  7. Giny Oosterwijk-Haasken schreef:

    Mooi verhaal. Nooit gehoord. “Achter op Erica” was voor ons de Ericasestraat richting Emmen.

  8. Mooi verhaal.Had het nog nooit gehoord. “Achter op Erica” was voor ons de Ericasestraat. Ik woonde daar en we noemden het”achter op Erica”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ 5 = negen

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.