Erica en hoe het er hier zo’n 300 jaar geleden uitzag

Geplaatst op 20-11-17 door Gerhard Vedder

BergerschansTijdens de behandeling van “Vier eeuwen turfwinning in Noord Nederland” in een cursus “Sporen in het Drentse Landschap” begon de docent met het hier onder afgebeelde  plaatje: Een behoorlijk somber schilderij gemaakt door ene Jacobus Sibrandi Mancadan.

Jacobus werd in 1602 in het Friese Minnertsga geboren. Zijn vader was daar glazenmaker, dorpsrechter, notaris en schoolmeester. In 1634 trouwde Jacobus met 24-jarige Elske Mathys Siderius. Na wat omzwervingen in Friesland vestigde het stel zich in 1635 in Franeker waar hij van 1637 tot 1640 burgemeester was. Hij was zeer actief in en met de vervening rond Beesterzwaag en in die tijd noemde hij zich ook voor het eerst “schilder”. Wildervanck2 Na het overlijden van zijn vrouw Elske Matthijs in 1669 trok hij in bij zijn dochter Ebeltje in Beesterzwaag, terwijl hij in Leeuwarden over zijn schilderatelier bleef beschikken. Hij was dus een Nederlandse schilder van Italiaans aandoende landschappen, burgemeester en ook nog veenbaas. Deze combinatie bracht hem in contact met Adriaan Geerts Wildervanck. Deze Wildervanck werd als Adriaan Geerts Paep in Groningen, als zoon van de smid Geert Adriaans en zijn vrouw Fennechien Geerts, geboren. Hij was schrijver, solliciteur,  pachter van het Raad- en Wijnhuis en koopman in de stad Groningen. Hij trouwde in 1630 met Grietien Jansen, ook wel Margaretha Jans Hardenberg genoemd. Na 1641 verhuisde het echtpaar naar Pekela. In 1647 pachtte Adriaen Geerts Paep het veengebied in de omgeving van Muntendam.  Uit de  veenkoloniën die hier ontstonden, groeiden de dorpen Veendam en Wildervank. Paep ging zich nu ook Wildervanck noemen en net als met het verhaal van de kip en het ei kan ik u niet zeggen of mijnheer Wildervanck of de nieuwe plaats Wildervank er het eerst was. Het was in ieder geval de vervener Adriaen Wildervanck die rond 1650 de schilder Jacobus Sibrandi Mancadan uitnodigde om in zijn veenderijen bij het Groningse Muntendam het schilderij “Hoogveen ontginning” te maken. En Adriaen kon het, als opdrachtgever, natuurlijk niet laten om zelf (in het ovaal) even stiekem in beeld te gaan staan. Het schilderij is tegenwoordig te vinden in het depot van het Gronings Museum en laat heel goed zien hoe in de middeleeuwen, zo rond 1650, de zeer arbeidsintensieve en goed georganiseerde vervening al een begrip was. Wildervanck

In de hier getoonde uitsnede (rood rechthoekje) zien we, naast de heer Wildervanck, ook bijvoorbeeld linksboven in het schilderij “de Lawei”. In de zeventiende eeuw werden, via een uit Friesland overgewaaid systeem, de arbeidstijden in de veenderijen geregeld door het omhoog hijsen of neerlaten van de lawei (een mand). De werkzaamheden bij de turfwinning stonden dan ook onder toezicht van de “levaymeester”. De lawei werd uiteraard geplaatst op een plaats die tot ver in de omtrek zichtbaar was. Een lawei stond vaak meerdere jaren op een bepaalde plek. Bij ontbreken van persoonlijk gedragen uurwerken fungeerde de lawei dus als de klok van de veenarbeider. Niet alleen in veengebieden, maar ook bij landaanwinningswerken of dijkwerkzaamheden maakte men gebruik van op een lawei gelijkende seinpalen. In het schilderij zien we dat de lawei bij een houten constructie staat, die veel weg heeft van een sluisje. Verder zien we heel veel personen afgebeeld. Personen die of van de welverdiende rust genieten en even “bijpraten” of die, verder rechtsboven en achter in het schilderij met de verschillende werkzaamheden tijdens de vervening bezig zijn. Ook zien we, als we goed kijken, ook meerdere kleine bootjes waarmee de op het veld gedroogde en in “vuren” gestapelde turf werd afgevoerd. Maar het belangrijkste wat het schilderij ons leert is dat het veen niet een vlakke en schier eindeloze vlakte was. Uitsnede

In nog een uitsnede van het, hier een beetje gefotoshopte, schilderij zien we achter de iets donkere partij met al de activiteiten, op de achtergrond een golvend landschap. Een landschap, met als we héél goed kijken, zelfs nog een herder met zijn schaapskudde. Een tafereel dat zich een paar honderd jaar later ook afspeelde op de moerassige heidegronden van de Zuid- en Noordbarger Marke langs de zandweg van Emmen naar Schoonebeek. Het glooiende landschap werd gevormd door de vorming van het hoogveen. En dan komt natuurlijk gelijk de vraag op hoe is dat hoogveen en dat glooiende landschap ontstaan.

Hoe is hoogveen ontstaan?

Hoogveen is veen dat gevormd is boven de regionale grondwaterstand. Het kan op twee manieren ontstaan. Een manier is die waarbij hoogveen wordt gevormd in gebieden met een slechte afwatering. In Groningen en Drenthe ligt het beekdal het Hunzedal. In het Saalien (ongeveer 150.000 jaar geleden), toen het landijs dat over Noord-Nederland lag begon te smelten, zijn hier smeltwaterafzettingen blijven liggen. Deze smeltwaterafzettingen, bestaande uit klei, laten slecht water door. Op deze afzetting ligt een laag dekzand uit het Weichselien. Regenwater kon wel door de zandlaag zakken, maar bleef op de smeltwaterafzetting liggen. Regenwater is erg arm aan voedingstoffen en er zijn maar weinig plantensoorten in staat zich te vestigen in dergelijke voedselarme milieus. Veenmos is een van de weinige plantensoorten die daar wel kan aarden. Kussens van veenmos zuigen zich vol met regenwater. Als ze verzadigd zijn, bestaan ze voor negentig procent uit water. Het veenmos sterft van onderen af maar groeit aan de bovenzijde door. Het hoogveen is dus zelfvoorzienend in zijn waterhuishouding en is alleen afhankelijk van regenwater, niet van grondwater. In de loop van duizenden jaren vormt zich op deze wijze hoogveen. Tussen deze kussens van veenmos of mosheuvels vormen zich kleine beekjes en stroompjes die hun water afvoeren naar beekjes die vervolgens beken worden en zo zijn niet alleen de Hunze en de Runde ontstaan maar ook de Bargerbeek en de Ellenbeek. Het schilderij van Mancadan is een van de weinige, zo niet het enige bekende schilderij uit de middeleeuwen waarop op zeer realistische wijze het landschap zoals het er toen ook rond het huidige Erica heeft uit gezien. Een mooie aanvulling op het kaartmateriaal waarop de Bargerbeek en Ellenbeek, die ooit bij Erica stroomden, zichtbaar zijn. Daarom is het zeer aannemelijk dat het landschap rondom de Bergerschans, die in 1665  werd aangelegd, er uitgezien moet hebben zoals Mancadan het veenlandschap rond 1650 waarnam. Bergerschans 1

Hier zien we de Bergerschans ingetekend in de topografische militaire kaart die J. van den Bosch in 1852 tekende. Op de kaart zien we, middels blauwe vlekjes, ook de veenputten  ingetekend die in die tijd door de markegenoten van Noord- en Zuid-barge werden gebruikt voor eigen huisbrand. Gebaseerd op het schilderij van Jacobus Sibrandi Mancadan uit 1650 en de kaart van J. van den Bosch uit 1852 kunnen we, denk ik, wel aannemen dat de mensen die hier zo’n 300 tot 400 jaar geleden op een mooie zomerdag over “de Sandhart lopende van Sudbergen door het moer naar Schoonebeek” onderweg waren, omringd werden door het glooiende landschap zoals op onderstaand plaatje. Stroomdal van de Bargerbeek Niet veel anders moet het Baron Menno vergaan zijn toen hij hier hoog en fier op zijn ros gezeten rond het jaar 1700  passeerde en de frisse Ericase lucht diep in zijn longen zoog. Baron Menno van Coehoorn is in 1641 op de Lettinga State onder Britsum bij Leeuwarden geboren. Hij trouwde in 1678 met Magdalena van Scheltinga en samen kregen ze 2 zonen en 2 dochters. Zijn vader stond in betrekking tot het Friese stadhouderlijke hof. In 1657 trad Menno in militaire dienst en begon zijn carrière bij de infanterie. Tijdens zijn leven nam hij dienst in verschillende legers, onder andere dat van stadhouder Willem III. Hij ontwikkelde hier zijn talenten als ontwerper en bouwer van vestingwerken. Zo kreeg hij tijdens de 80 jarige oorlog, die in 1568 begon, ook de opdracht van de Heren van Friesland om de grenzen van de Staten van Friesland, waar indertijd ook het Lantschap Drenthe toe behoorde, maar eens te verkennen om vervolgens aanbevelingen te doen inzake de verdediging van die grenzen. Menno ging op stap en kwam dus op enig moment ook daar op die uitloper van de Hondsrug bij de oevers van het Bourtanger Moeras aan. Daar waar zo’n 300 jaar later ons dorp Erica zou ontstaan. Menno van Coehoorn Hij zal zittend op zijn paard vanaf een verhoging in het landschap rondgekeken hebben en zijn notities gemaakt hebben. Want in een brief aan de Staten van Friesland d.d. 4 augustus 1701 schrijft Baron Menno van Coehoorn onder andere dat er volgens hem een verdedigingswerk moest komen bij: “de Sandhart, lopende van Sudbergen door het moer naar Schoonebeek”. Hij argumenteert vervolgens: “de pas van Sudbergen naar Schoonebeek, dient een redoute geleidt waar de sandtrille eindigt, en tot meerdere verseekering in het Schoonebeekse diep, van de soure af, op distanciëne te werden geleidt overvallen, om het water, soo veel doenlijk is in de moeren te holden”. Afijn, het uitzicht waarvan Menno genoot en de daarop volgende aanbeveling aan de Heren van Friesland dat de landmeter Johan Carsten met een budget van 330 Carolus guldens de opdracht kreeg om, met de hulp van ingezetenen van het kerspel Sleen, daar bij die dikke boom op een splitsing van 2 zandwegen een redoute (een uit aarde opgeworpen verschansing die aan alle kanten even sterk is) op te werpen. Bergerschans 3

Een redoute die de naam Bergerschans kreeg en, weliswaar in vervallen toestand, er in 1865 nog steeds lag. In 1865 toen ons dorp nog maar net 2 jaar jong was en daar op die splitsing van twee zandwegen, de een naar de “Beek en Streng veenen” en de ander naar “Schoonebeek”, nog niet zo veel voorstelde.

2 reacties op “Erica en hoe het er hier zo’n 300 jaar geleden uitzag”

  1. Cornelis Tenhage schreef:

    En dan te denken dat ik op deze plaats geboren en getogen ben.

  2. Cornelis Tenhage schreef:

    En dan te denken dat ik hier geboren en getogen ben

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ vier = 6