Drenthe’s Goudmijn

Geplaatst op 16-02-16 door Gerhard Vedder

BaggelturfDe evangelist Wilhelm Jonker, U bent hem al vaker tegenkomen in deze verhalenreeks.

Jonker woonde en werkte van 1885 tot 1891 op Erica en liet indertijd zijn sporen na. Onder andere door in meerdere hoofdstukken van het door hem geschreven boek, “Het Morgenrood in de Drentsche Venen”, over Erica en haar bewoners te schrijven.

Dit keer wil ik graag met u het hoofdstuk IX delen.

In dit hoofdstuk “DRENTHE’S GOUDMIJN” heeft Jonker het ook weer over Erica en de onafzienbare veen en heidegebieden en de kansen die ze bieden.

Hij schrijft:

Van de kusten van Jutland langs de Noordzee tot aan de rotsen van Normandië strekt zich een heidesteppe uit, die, naar het oordeel van sommige geologen, tot gronden (dilivium) behoren die ontstaan zijn door ”aanslibbing in den voor-historischen tijd”. Haar eentonigheid wordt hier en daar door een zandrug onderbroken; doch meestal is de oppervlakte met den nederigen heideplant (erica vulgaris) overdekt, die, steeds in gezelschap levend, den groei van bijna alle andere planten verdringt.

In die heidesteppe worden geheele streken veengronden aangetroffen waar de erica bloeit, doch die ook soms met zandheuvels bedekt is. Zoo vindt men in Drenthe den Hondsrug, die nagenoeg van het Noordwesten tot het Zuidoosten, van Groningen tot Erica, de provincie doorsnijdt en bij Emmen een hoogte van 29 M. bereikt.

Drenthe behoorde nog voor eenige jaren voor het grootste gedeelte tot die breede heidestrook, waaraan zich langs de kusten de bovenste of jongste lagen der aardkorst, die door aanspoeling en verdamping van het water, gevormd heeft. Veel is er over de vorming der venen geschreven. Als men op het vezelachtige der veenstof let, behoeft haar plantaardige oorsprong wel niet in twijfel te worden getrokken.

De ontginning van de hooge venen en heidevelden zoowel in Drenthe als in Overijssel is lang door verschillende oorzaken verhinderd. Deze veenstreken scheidden in het Romeinsche tijdperk de Friezen van andere stammen en daardoor tevens van den derden Rijntak. De reusachtige brug (pont longus), voor enige jaren in de Valthervenen gevonden, getuigt van de moeielijkheid, die het terrein voor de Romeinsche legioenen opleverde om van de Zuidoostzijde in het eigenlijke Friesland te dringen.

Toevoeging van de redactie

De Valtherbrug is een veenweg of veenbrug uit de late ijzertijd die in 1818 werd ontdekt door J.W. Karsten Hoofd-Ingenieur bij den Waterstaat en der Publieke Werken. Hij bracht de weg tevens in kaart en beschreef deze. De veenweg bestaat uit planken en stammetjes en loopt tussen Ter Apel en Valthe. Het zou destijds de Hondsrug met Westerwolde hebben verbonden. (zie bijgaand kaartje en een foto van de blootgelegde brug)

Traject Veenbrug

Valtherbrug

 

 

 

 

 

 

Men onderscheidt het veen in hoogveen en laagveen.

Hoogveen ontstaat in diepe kommen door langzame verrotting van planten, vooral in de vochtige klimaten der gematigde luchtstreken. Men vindt het op de bergen, bijvoorbeeld van Groot Brittanië en Ierland en van Zwitserland, alsmede in de vlakte. Steeds ligt het zoo hoog, dat het overtollige water in beken en rivieren wegstroomt. Het ontstaat bij ons uit kleine planten en boomen, dikwijls uit de eerste alleen; de bijna vergane boomen in het veen, die meestal in de richting Zuidwest-Noordoost liggen, heeten kienhout. In ouden tijd was het dilivium bedekt met groote bosschen van dennen, eiken, berken en elzen. Door stormen, boschbranden enz. werden vele boomen omgeworpen. Zij verdwenen langzamerhand onder de vochtige laag van halfvergane bladeren, vruchten enz., die elk jaar dikker werd en eindelijk zulk een hoogte had bereikt, dat boomgroei onmogelijk werd. Veenmos, heide en andere planten namen de plaats der boomen in. Nog bedekken ze het hoogveen.

Eeuwen en nogmaals eeuwen zijn er ongetwijfeld verloopen voor het veen in den toestand geraakte, waarin wij het nu waarnemen.

In 1871 werd in het Emmerveen, niet ver onder de oppervlakte van den bodem een bijna vergaan zakje gevonden met meer dan 200 zilveren muntstukjes uit den tijd van Lodewijk den Vrome en diens zonen; en te Nijeveen trof men de overblijfselen van een kano aan.

Toevoeging van de redactie

De munten werden door boer Garming uit Noordbarge bij werkzaamheden op het land aan de rand van het dorp gevonden. Hij heeft de omliggende grond op kipkarren naar zijn huis gebracht en nagezocht. De 372 gevonden zilveren munten komen uit de Karolingische tijd. (de 8ste tot de 10e eeuw). Dit was de tijd van de christelijke zendelingen, zoals de bekende Bonifacius, die op 5 juni 754 bij Dokkum werd vermoord.

Karolingische muntenHet laagveen ontstaat anders dan het hoogveen. In stilstaande wateren, in poelen en meren, ontstaat een welig gewas van waterplanten, zooals plompen, scheeren enz.

Elk jaar sterven deze en zakken naar den bodem, waar ze doordat het water de lucht afsluit, voor geheele ontbinding behoed zijn. Langzamerhand vormt zich op deze wijze een dikke koek, die na eenige jaren soms boven komen drijven

Dan vormt hij een geschikten bodem voor tal van moerasplanten, die er zich op vestigen en waterplanten geheel verdringen. Zulke drijvende stukken worden nog veelvuldig in ons land aangetroffen. Het is een taaie, door de wortels vast bijeengehouden massa. De zode wordt slechts zeer langzaam dikker. Toch zal ook dan eindelijk de zode den bodem bereiken en de gansche poel met een halfvergane plantenmassa gevuld zijn. Op deze wijze werden tal van plassen met modder van halfvergane planten gevuld: het laagveen, dat, gebaggerd, gemengd en gedroogd, onze korte of sponturf, ook wel baggelaar genoemd, voortbrengt. In tegenstelling van de lange turf, die eenvoudig gestoken of gegraven en dan gedroogd wordt.

Toevoeging van de redactie

Baggeren van hoogveen, kwam naast het steken van turf (turfgraven) voor. In plaats van het veen te ontwateren, werden de onderste veenlagen in natte toestand opgebaggerd. Deze wijze van turfwinning kon soms verband houden met de waterhuishouding. Als de onderste veenlagen lager lagen dan het peil van de water-wegen, kon dit veen niet ontwaterd worden. Later, vooral in de 19e eeuw, werden in sommige veengebieden de onderste lagen bewust niet ontwaterd, om aldus baggerturf te kunnen maken. Deze had een hoger rendement dan als steekturf.

BaggellenSpon- of baggerturf (ook wel baggelaar of baggel genoemd) vergde een betrekkelijk eenvoudige bewerking. Naast een turfput plaatste men een vierkante bak met een omtrek van ca. 8 m en randen van 45 cm hoog. Hierin werd uit de turfput de klien of klijn, de natte veenbrokken, geschept. Een man in de bak hakte deze klien zoveel mogelijk klein en mengde de specie door elkaar met water tot een stevige brij. Deze brij werd met grote houten schoppen, hoosvaten, uit de bak geschept en over het zetveld uitgespreid tot een dikte van 30 à 40 cm. De dikte moest zodanig zijn dat na inkrimping een turf van juiste dikte overbleef. De aldus uitgespreide specie werd enige dagen met rust gelaten om te drogen. Als de zon te sterk was werd de brij bedekt met stro. Zodra dat mogelijk was, moest de turf met plankjes onder de voeten, trippen, betreden worden om de massa steviger te maken. Dit moest net zo vaak herhaald worden tot de specie met steek-ijzers tot turven kon worden versneden (het strepen, riemen, flikken, blokken en stikken). Een baggerturf mat 23×19 cm. Als de turf nu verder voldoende was ingedroogd kon hij net als bij steekturf worden opgebroken om verder te drogen. 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


zes + = 8

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.