De kasteleins tegenover de R. K. Kerk op Erica (deel 4)

Geplaatst op 05-08-19 door Gerhard Vedder

In deel 3, dat de periode van 1904 tot 1919 besloeg konden we lezen hoe op Erica het “imperium” van de alsmaar groter wordende familie Hofhuis met, wat we tegenwoordig noemen, “groeistuipen” te maken kreeg.

Naast het befaamde “Hotel Hofhuis” waar het allemaal daar bij de kerk mee begon, was er inmiddels ook sprake van een goed lopende boerderij en steeds groter wordende veenderijen. Maar ook Amsterdam en het ook toen al mondaine Egmond aan Zee trokken. Dit leidde te vaak tot de situatie dat de “Hofhuis clan” op meerdere plaatsen tegelijk moest zijn. Zo hoeven we er dus ook niet gek van op te kijken dat op enig moment, toen het centrum van Erica zich van rond de kerk naar de Ericasebrug bij de Heemkerksluis verplaatste er daar ook een café, hotel en paardenstalling werd gebouwd. In het begin met de naam “’t Centrum” tegenwoordig nog steeds daar met de naam “The Spot”.

Afijn, in deel 4 gaan we terug naar de omgeving van de kerk en laten ons meenemen met de avonturiers, vernuftelingen en wat we tegenwoordig “durfkapitalisten” noemen op Erica.

Inmiddels zijn we in de 20ste eeuw aanbeland, terwijl op 20 september 1858 al ene “Broer Vos” was geboren in Zeijerveen bij Assen. Zijn vader was Jan Vos en zijn moeder was Grietje Jagt. Broer kwam uit een gezin waarin totaal 10 kinderen geboren werden. Zijn vader en moeder woonden eerst in Kloosterveen, ook bij Assen, daarna dus in Zeijerveen en verhuisden daarna naar Nieuw- Amsterdam.

Ze kwamen daar in 1861 te wonen op de plek waar nu de  “Lunenborgstede” (hoek Veilingstraat) staat. Vader Vos begon als veenarbeider maar werkte hij zich op tot veenbaas en vervolgens begon hij ook zelf als vervener.

Hij werkte als veen baas voor de vervener Ensink in Noord-Barge wiens bedrijf (wat meer dan 100Ha groot was) hij later overnam.

Broer Vos was als landbouwer bij zijn vader werkzaam. Later was hij ook in de veenderij actief. Op 15 december 1882 trouwt hij in Emmen met Annechien Snippe (19 jaar) geboren in Smilde. Ze krijgen samen 11 kinderen waarvan er 3 op jonge leeftijd overlijden. Omstreeks 1910 verhuist hij van Nieuw-Amsterdam naar Erica.

Na het overlijden van vader Vos in 1900 werden door de familieleden de veengronden in een NV ondergebracht. Een paar maand daarvoor was er nog  2,5 Ha veen en bouwland met daarop een woning verkocht welke toebehoorde aan gezamenlijke de nazaten van Vos sr.  Op 5-9-1901 verschijnt in de Staatscourant het bericht van oprichting van de N.V.

“De Veen Maatschappij voorheen Vos”. De NV werd opgericht door drie broers en een zwager te weten: Broer Vos, vervener; Bouke Vos, Commies der Belastingen; Henderikus Vos, onderwijzer; Wiebe Hoogeveen, smid (getrouwd met Geesje Vos).

De vennootschap werd aangegaan voor een periode van twintig jaar. In artikel twee van de oprichtingsakte staat het volgende:

Het doel dezer vennootschap is het exploiteren van hoogveen, het ontginnen en in cultuur brengen van dalgronden, het koopen en verkoopen van veen- en ondergronden, het verhuren van eigen-dommen en in het algemeen het doen van die zaken behorende tot de vervening en veenkoloniale landbouw, alsmede het houden van een winkel in koloniale en bakkerswaren en manufacturen.

Het kapitaal van de vennootschap was ƒ 100.000,- verdeeld in twintig aandelen van ƒ 5000,-. Hiervan zijn geplaatst 14 aandelen van ƒ 5000,-; door de drie broers elk vier aandelen van ƒ 5000,-  Voor zwager W. Hoogeveen twee aandelen van ƒ 5000,-.

Dat vader Vos niet slecht geboerd had bleek uit de ingebrachte gronden door de familie.

Door de vennoten zijn ingebracht ca 110 hectare grond bestaande uit veen, bouwland, groenland, dalgrond en 16 woningen. Als directeur van de vennootschap wordt Broer Vos aangesteld.

In oktober 1906 verschijnt nevenstaande advertentie in het Nieuwsblad van het Noorden.

En in april 1904 verschijnt er in diverse kranten een artikel geplaatst door de minister van Waterstaat, Handel en Nijverheid m.b.t. de aanleg van de spoorlijn Coevorden- Gasselternijeveen. Hierin wordt aangekondigd dat bij ministerieel besluit diverse stukken land worden onteigend. Ook de naam van Broer Vos staat op de lijst. Hij moet een stuk veen van 9 are /40 centiare afstaan.

Broer is niet allen actief als directeur van de vennootschap, hij bezit zelf ook een boerenbedrijf. Op 3 juli 1907 verschijnen er bij notaris Weijs in Coevorden een aantal personen met het doel het oprichten van een stroocartonfabriek (de Cooperatieve Drentsch-Overijsselsche Stroocartonfabriek, gevestigd te Coevorden). Broer Vos is een van hen.

In deel 3 konden we al lezen dat het de Familie Hofhuis, met al haar bezittingen op Erica, zo af en toe boven het hoofd groeide. Dus kijken we er niet gek van op  als in januari 1909 deze broer Vos uit het faillissement van Hofhuis het hotel Hofhuis bij de kerk koopt.

Gezien zijn godsdienstige afkomst (gereformeerd) is het wat vreemd dat hij een kroeg koopt tegenover de katholieke kerk.

Naar alle waarschijnlijkheid is het de bedoeling dat hij het vak van logementhouder wil gaan beoefenen.

Op 28 maart 1909 staat er een advertentie in de krant dat er een boeldag gehouden zal worden i.v.m. het beëindigen van zijn boerderij.

Aangenomen mag worden dat de eerste maanden er geen klandizie in het etablissement is geweest simpel omdat er geen vergunningen aanwezig waren. Vos had hier echter wel direct werk van gemaakt want op 29 juni 1909 komt er bij de gemeente Emmen een bericht van de provincie binnen voor vergunning voor “logement” aan het adres van Broer Vos te Erica (zegelkosten ƒ 0,75). Men kan nu in ieder geval onderdak bieden aan gasten, het schenken van sterke drank echter was nog niet toegestaan waardoor sommige gasten voor een verblijf elders verkozen waar dit wel toegestaan was.

Op 23 juli 1910 komt er bij de gemeente Emmen een aanvraag van Broer Vos, logementhouder te Erica, binnen voor verlof van verkoop van alcoholhoudende drank. Nadat de gemeentearchitect zijn goedkeuring over het gebouw had gegeven werd de vergunning op 14 augustus 1910 afgegeven. De vergunning gold alleen maar voor de zuidelijke gelagkamer met een oppervlakte van 50,56 m2. Het rapport van de architect vermeldt verder nog dat de gemiddelde hoogte van de lokaliteit 4 meter was en de hoeveelheid glas in de buitenwand 8,44 m2 was. Op de vergunning waren ook nog de volgende namen vermeld: Annechien Snippe (zonder beroep), Hendrik Vos (landbouwer) en Jacob Vos (timmerman).

In 1910 werd op Erica de coöperatieve Boerenleenbank opgericht. Broer Vos was daarbij ook aanwezig en ook als schriftelijk gemachtigde van 17 andere personen.

Deel uit de oprichtingsakte van de Boerenleenbank.

Als feestzaal voor verenigingen of voor vergaderingen werd het hotel blijkbaar niet veel gebruikt  want hierover was weinig te vinden. De tijd zat overigens ook niet mee want het was crisis. Het meeste inkomen zal bij de fam. Vos wel uit hun NV. gekomen zijn.

Hij had nog wel enkele kleine stukken land in Veenoord en Nieuw-Amsterdam. Ook had hij nog een huis aan de Heerendijk te Erica.

In maart 1915 komt er een boekje uit met een lijst der aanslagen in de Rijks directe Belastingen in de provincie Drenthe.

Broer Vos (verlofhouder) wordt aangeslagen voor ƒ 2850,-  (ter vergelijking, zijn collega caféhouders in Erica, Fokkema, ter Haar, Jisse Hof, Wietse Hof en Nijman werden allen lager dan  ƒ 1000,- aangeslagen, alleen Beuker was hoger; ƒ 3200,-)

Op 21 oktober 1916 staat er in de krant dat er in het Café van Broer Vos te Erica een publieke verkoop is. Het gaat hier om het café van Heise te Erica (het latere Lohues). Ook werden twee huisplaatsen te koop aangeboden.

Op 28 november 1918 overlijdt Broer Vos, hij is dan zestig jarig.

Op 26 februari 1919 is er een verkoop van een aantal onroerende goederen.

Het hotel Hofhuis bij de kerk wordt gekocht door Hendrik de Groot uit Nieuw-Amsterdam. Hij treedt op als mondeling gemachtigde voor Hendrikus Vos (broer van), hoofd der school in Tijnje.

De acetyleen installatie moet daarbij voor ƒ 150,- worden overgenomen.

Een perceel heide aan de Heerendijk wordt gekocht door Jitse Hof, caféhouder te Erica, als mondeling gemachtigde van Jan Geert ter Haar, caféhouder te Erica. Het huis dat op deze grond staat is niet bij de koop inbegrepen.  Een huis met erf te Veenoord wordt verkocht aan Jan Hilbing te Veenoord.

Op 15 maart 1919 is er een grote verkoop van roerende goederen. Weduwe Vos biedt allerlei spullen te koop aan zoals: Geit, schaap, kippen en haan, twee rijwielen, spinnewiel, koperen ketel, tinnen koffiepot, 2 toonbanken, stookpot, diverse tafels en stoelen, servies een partij hout etc.

Spoedig na de verkoping verhuist de weduwe Vos naar Veenoord waar zij op 1 juli wordt ingeschreven.

In januari 1920 wordt de nalatenschap afgehandeld. Twee dochters zijn dan nog minderjarig. Jan Vos was arbeider in Nieuw-Amsterdam. Dochter Henderkien was getrouwd met een directeur van een aardappelmeelfabriek. Jan Willem was vervener in Erica. Hendrik was landbouwer in Erica. Jacob was kantoorbediende in Nederlands Indië (hiervoor was hij ook nog barbier geweest). Bouke was bakker in Voorthuizen.

Jan Vos, zoon van Bouke, wordt de nieuwe directeur van de NV.

Annechien overlijdt op 11 februari 1942 in Zwolle. Ze wordt begraven in Nieuw-Amsterdam.

Hinderikus Vos (ook vaak Hendrikus genoemd) werd op 27 maart 1866 geboren in Nieuw- Amsterdam.

Hij was een broer van voormelde Broer Vos. Ongetwijfeld zal hij in zijn jonge jaren meegeholpen hebben op het bedrijf van zijn vader maar zijn ambities hebben daar vast niet gelegen. Hij had een helder verstand en werd onderwijzer. Zijn opleiding hiervoor heeft hij waarschijnlijk in Coevorden gehad want op 12 juni 1883 wordt hij uit het bevolkingsregister geschreven en vertrekt hij naar Coevorden. In maart 1885 heeft hij zijn studie afgerond en op 19 jarige leeftijd werd hij aangesteld als onderwijzer in Nieuw-Amsterdam aan de school aan de 1e Zuiderraai (deze school stond recht tegenover de Dikkewijk aan de vaart ZZ).

Twee jaar daarvoor was er op dezelfde school mej. Hendrika Christina Eggink aangesteld. Haar ouders waren blijkbaar niet onbemiddeld want toen zij geslaagd was plaatsten zij als dank aan de onderwijzers een advertentie in de Provinciale Drentsche en Asser Courant. (zij was geboren in Haarlem en woonachtig in Veenoord). Ze was een van de eerste onderwijzeressen in Nederland met een vaste aanstelling.

Hendrik raakte bevriend met haar en ze trouwden in juni 1888. Het echtpaar komt te wonen tussen Nieuw-Amsterdam en Erica. Hier worden vijf kinderen geboren (van twee ervan staat op de geboorteakte geb. te Nieuw- Amsterdam en van drie staat op de geboorteakte geb. te Erica). Eind september 1896 vertrekt het echtpaar naar de gemeente Opsterland waar Hendrikus hoofd der school wordt in Tijnje. In Tijnje worden nog vijf kinderen geboren.

Hendrik was overtuigd socialist (SDAP) en geheelonthouder terwijl zijn familieleden allen lid van de ARP waren. Enkele jaren nadat hij onderwijzer in Tijnje was geworden richt hij daar een plaatselijke afdeling van de SDAP op en zet hij zich in voor de arbeiders bevolking in de omgeving. De armoede welke hij in de omgeving van Erica en Nieuw- Amsterdam zag kwam hij hier ook weer tegen. Hij zet zich onder meer in voor een goede verbindingsweg tussen  Oldeboorn en Tijnje en voor het oprichten van een bibliotheek.

Als SDAP lid wordt hij zeer gewaardeerd en stelt hij zich kandidaat voor Provinciale Staten, waar hij uiteindelijk in terecht komt.

Zoals vermeld werd hij in 1901 mede vennoot van de “de Veenmaatschappij voorheen Vos”. Gezien de afstand Nieuw-Amsterdam – Tijnje, en zijn beroep als onderwijzer, zal hij zijn gezicht daar niet zo vaak hebben laten zien.

Op 28 november 1918 overlijdt zijn broer. Op 26 februari 1919 koopt hij het hotel Hofhuis van zijn schoonzuster. Aangenomen mag worden dat Hendrik het hotel kocht om zijn schoonzuster te helpen en niet om als uitbater te fungeren. Mede gezien zijn achtergrond valt het te betwijfelen of hij wel een voorstander van het schenken van drank was. Wie de zaak runde na de overname is mij niet bekend. Wellicht een van de kinderen van Broer (Hendrik of Jacob welke ook genoemd worden in de verleende vergunning). In maart 1922 doet Annechien Snippe afstand van de verleende vergunning voor het schenken van sterke drank in het klein. Vanaf die tijd doet het hotel nog maar alleen dienst als tijdelijke woonruimte welke per week verhuurd wordt.

Op 3 maart 1924 wordt de NV “de Veenmaatschappij voorheen Vos” opgeheven. In café Beuker te Erica worden diverse onroerende goederen verkocht o.a.: 120 Ha. land waarvan een gedeelte al verhuurd werd, ca 20 woningen, een aantal keetwoningen een bakkerij en slagerij. De grond bevindt zich voornamelijk in Nieuw-Amsterdam en Erica. Van een aantal percelen wordt de koper verplicht een aandeel over te nemen van de Coöperatieve aardappelmeelfabriek Excelsior in Nieuw-Amsterdam ter waarde van ƒ 250, –

Tegelijk met deze verkoping biedt Hendrik het hotel Hofhuis te koop aan.

Het perceel wordt echter opgesplitst in acht percelen. Zes van deze percelen worden gekocht door Petrus Johannes Geraets. De andere twee percelen worden gekocht door Franciscus Johannes van Mook.

Petrus Johannes Geraets (Piet) heeft een van de percelen waar het hotel op staat gekocht. In de verkoopakte staat de volgende bepaling:

Het huis staande op dit perceel is aan verschillende huurders als weekwoning verhuurd, welke huur met eene opzage van acht dagen te voren kan worden beëindigd.                                                

Begin jaren twintig verhuist het gezin Vos naar Diepenveen (ov).

In mei 1925 vestigen ze zich in Bathmen (ov). In 1927 neemt hij daar plaats in de gemeenteraad en in 1935 is hij daar wethouder. Op 12 juli 1936 overlijdt hij in Bathmen. Zijn lichaam wordt gecremeerd wat in die tijd nog uniek was.

Zijn vrouw zat later ook nog in de gemeenteraad. In de oorlog was zij een fel tegenstander van de Duitsers. Boven Bathmen was een Engels vliegtuig neergeschoten en de piloten waren door de Duitsers begraven. De graven werden illegaal onderhouden door mevrouw Vos. Bij een huiszoeking bij haar door de Grüne Politzei naar radio’s wilden ze haar zolder op (waar haar kleinzoon ondergedoken zat) en zij vroegen om een ladder om naar boven te klimmen. Mevr. Vos vertelde hun dat ze zelf met haar 80 jaar een stoel nam, er op ging staan, en zich dan naar boven trok, en als zij dat kon met haar 80 jaar dan konden zij dat zeker. Hierop besloten de Grünen maar om te vertrekken.

Op Bevrijdingsdag april 1945 kwam er nog een Canadese granaat op het huis van haar terecht welke per abuis werd afgevuurd. Daar de dochters van haar de Engelse taal beheersten konden zij Canadese soldaten uitleggen op hun kaarten waar mijnen lagen. Ze is overleden in 1963 op de leeftijd van 99 jaar.

Opmerking: De kinderen van Hendrik waren zeer begaafd. Hun zoon Hein was lid van de eerste en tweede kamer, minister in het kabinet Schermerhorn/Drees en kabinet Beel, fractievoorzitter EK, lid raad van state. Hij was in 1947 de enige minister welke tegen gewapend ingrijpen in Indonesië was. In zijn tijd (periode 1940) was hij één van de weinigen van wie bekend was dat hij homoseksueel was.

Margot (Grietje) Vos, zij was ook onderwijzeres, zij kreeg landelijke bekendheid als socialistisch dichteres. Haar zuster Marie, welke ook lerares was, kreeg landelijke bekendheid door haar socialistische publicaties. Zij maakte ook een socialistisch strijdlied dat altijd voor de VARA radio werd gedraaid.

Petrus Johannes Gereats (Piet) werd geboren op 24 november 1885 in Erica. Zijn vader was P.J. Geraets en zijn moeder Hilleke Gonda Wittendorp. Zijn vader was landbouwer. Ze woonden aan de Ericase straat net even buiten de bebouwde kom.

Piet was het achtste en jongste kind van het gezin. Op 15 jarige leeftijd vertrekt hij naar Maastricht. In het bevolkingsregister wordt hij ingeschreven als kwekeling. In Maastricht volgde hij een opleiding als onderwijzer.

De keuze voor Maastricht viel waarschijnlijk omdat hier de opleiding Katholiek was. Hij komt te wonen aan de straat “Achter het Vleeschhuis” no. 28 (foto onder) . Dit pand werd bewoond door de gezusters Stassar welke in lingerie deden.

Ook Piet zijn zus, Hillegonda Maria, ging later naar Maastricht. Zij kreeg daar vriendschap en bleef na haar huwelijk daar ook wonen en verhuisde later naar Tongeren in België.

Op 18 september 1906 komt Piet weer terug naar Erica. Waarschijnlijk heeft hij in die tijd ook voldaan aan zijn verplichting jegens de Nationale Militie.

Met zijn opleiding als onderwijzer heeft hij nooit iets gedaan. Wel was hij een handelaar en koopman en hij had ook bestuurlijke kwaliteiten en een helder verstand.

Schuin tegenover de ouderlijke woning van Piet stond, (daar waar nu de autoweg A37 onder de Ericasestraat door gaat), café Stout en in zijn jonge jaren zal hij daar vast wel eens gezeten hebben.

Stout was landbouwer, vervener, winkelier en caféhouder. Deze had nog een vrijgezelle dochter, Johanna Wilhelmina (Mina).

Mina hielp geregeld in het bedrijf van haar vader en zodoende kwam ze Piet wel eens tegen en kregen ze verkering. In 1909 trouwden ze. Mina was bijna 12 jaar ouder dan Piet.

Door zijn huwelijk met Mina (in het register van het kadaster stond dat zij koopman was) werd Piet mede eigenaar van een 3 tal huizen, 24 Ha veen en 5 Ha. bouwland.

Het café (hotel Hofhuis) met de achterliggende grond stond op naam van Mina. Het paar kwam te wonen op de hoek van de Kerklaan / Havenstraat. Dit was een winkelpand met een ruime kavel grond en ze verkochten textiel en manufacturen. Later was Piet ook actief als vervener.

de winkel van Piet en Mina. Op de dakgoot stond het woord VERVENER geschreven.

Bij de oprichting in 1910 van de Boerenleenbank in Erica was hij ook betrokken en was hij daar jarenlang voorzitter van. In 1911 stelt hij zich kandidaat voor de gemeenteraad verkiezingen.

Zakelijk gaat het hem voor de wind want blijkens  het boekje met daarin een lijst der aanslagen van de Rijks directe Belastingen in de provincie Drenthe (1915) wordt hij aangeslagen voor ƒ 3100,-. Hieruit blijkt dat hij wel een van de notabelen in Erica was.

In 1919 verschijnt er in de Staatscourant dat er in Erica een stichting is opgericht met als doel het verbeteren van de woningtoestanden in Erica en omgeving. Piet is een van de initiatiefnemers.

deel publicatie in de Staatscourant.

Begin twintiger jaren komt hij in de gemeenteraad van Emmen. Dat hij hierbij zijn zegje ook goed deed blijkt wel uit onderstaand krantenartikel uit 1923 m.b.t de bouw van een katholieke school in Erica.

In dezelfde tijd komt Piet zijn schoonvader (W. Stout) bij hem inwonen. Deze nam zijn veengereedschappen mee en zo stonden er achter Piets huis een aantal kiep-lorries met rails. Deze werden later door Piet uitgeleend aan de pastoor voor het graafwerk van het nieuwe kerkhof achter in het pastoorsbos. Daar moest namelijk veen getransporteerd worden naar het aangrenzende land, in ruil kwam daarvoor zand terug. Men moest begraven worden in geweide aarde en niet in het veen.

In maart 1924 koopt W. Stout het voormalig hotel Hofhuis. Het gehele perceel wordt vervolgens in acht kavels verdeeld. Piet koopt hier zes van, waaronder het perceel waar het hotel op staat. Frans van Mook (zijn zwager) koopt de andere twee percelen.

Het hotel wordt niet meer als zodanig in gebruik genomen en Piet laat het afbreken.

Van de stenen liet Piet vervolgens drie huizen bouwen op de aanliggende kavels.

Van het begrip ,,Erica, lekker water” zijn meerdere versies bekend. Een er van gaat over het water in de put bij Hotel Hofhuis. Dit water zou kraakhelder zijn in tegenstelling tot het water uit vele andere waterputten in de omgeving en op Erica. Bij het opsplitsen van de kavel in meerdere percelen en het afbreken van het hotel is ook de legendarische waterput verdwenen.

https://www.rtvdrenthe.nl/media/56568/Erica-lekker-water-waar-komt-die-uitdrukking-vandaan

Begin 1926 geraakt Piet Geraets in een lastig parket betreffende het leveren van goederen aan de Katholieke school in Erica. In de krant verschijnt onderstaand artikel.

Het ging hier om de levering van voeding en kleding aan schoolgaande kinderen. Voor de R. K. Gerardusschool in Erica was hiervoor een bedrag van ƒ 90,- beschikbaar. Piet had kousen ter waarde van ƒ 55,49 aan de school geleverd. De rekening werd ingediend bij de gemeente. Er was een voorstel om hem als raadslid te schorsen maar een meerderheid was het hier niet mee eens omdat de goederen aan het schoolbestuur geleverd waren en niet aan de gemeente. Op 18 mei echter besluit gedeputeerde staten van Drenthe om hem alsnog te schorsen op grond van overtreding van art. 24 van de gemeentewet. Piet ging tegen dit besluit in beroep maar op 20 oktober 1926 wordt bij Koninklijk besluit mee gedeeld dat zijn bezwaar ongegrond is.

Piet zijn vrouw, Mina, heeft haar bij hun inwonende vader, samen met haar zusters, verzorgd tot aan zijn dood in juni 1927.

Piet verkoopt eind 1927 zijn veenderij aan J. Lamberts te Nieuw-Amsterdam.

Op 14 maart 1929 overlijd zijn vrouw. Het echtpaar heeft geen kinderen. Het leven gaat voor Piet echter gewoon door want op 15 april staat nevenstaande advertentie in de krant.

Vijf maanden na het overlijden van zijn vrouw trouwt Piet met Hendrika Gesina (Sina) Vinke (geb. 1893). Ze was weduwe en had twee kinderen uit haar eerste huwelijk met Hermannus van der Kolk welke destijds een kruidenierswinkel had. Sina blijft nog enkele jaren de winkel runnen totdat haar zoon Herman hem overnam. Het echtpaar krijgt vijf kinderen waarvan er twee op jonge leeftijd overlijden. 

De start van de pluimveehouderij is niet zoals hij zich had voorgesteld, want op 5 september 1929 worden bij hem 150 witte leghorns gestolen. Ook had hij te maken met brand en ziekte. Eind 1930 heeft hij de zaak weer redelijk op de rit en krijgt hij zelfs hoog bezoek.

Bij zijn reis door Drenthe brengt minister Kan (vader van de cabaretier) samen met burgemeester Bouman een bezoek aan zijn bedrijf. In 1931 is hij kandidaat voor de Provinciale Staten van Drenthe voor de kieskringen Hoogeveen en Emmen.

Op 20 maart staat er echter in de krant dat hij pogingen onderneemt om zijn kandidatuur in te trekken. Aangezien dit wettelijk niet mogelijk was blijft zijn kandidatuur gehandhaafd. De heer Geraets is echter wel bereid mee te werken dat op zijn lijst zo weinig mogelijk stemmen worden uitgebracht.

In 1933 wordt er in Erica een middenstandsvereniging opgericht en Piet wordt hiervan voorzitter.

In september 1937 verkoopt hij aan de Kerklaan vier huisplaatsen en een huis welke ooit deel uitmaakte van het voormalige hotel Hofhuis.

Eind jaren dertig van de vorige eeuw kampte men in de landbouw met een overschot aan stro. De Groninger maatschappij van Landbouw hield zich bezig met onder andere het vinden van een oplossing voor dit probleem. Op 31 december 1938 staat in het Nieuwsblad van het Noorden de volgende mededeling:

Naar aanleiding van deze advertentie dacht Piet, samen met fietsenmaker Roosken, een oplossing te hebben voor dit vraagstuk en niet lang daarna (op 17 juni 1939) staat het onderstaande in de Emmer Courant:

Een belangrijke nieuwe vinding ?

OPLOSSING VAN HET STROOVRAAGSTUK GEVONDEN?

Dezer dagen verschenen op ons bureau een paar ingezetenen onzer gemeente, om ons een nieuwe uitvinding te laten zien. Dat gebeurt vaker en dikwijls valt het tegen, maar deze keer slaagden de uitvinders er toch al heel gauw in om ons te overtuigen van het belang hunner vinding, die, als zij en wij het goed zien, van groote beteekenis kan worden voor de veenkoloniën.

De heeren P. J. Geraets en W. Roosken te Erica zijn er nl. in geslaagd uit Turf en stroo een product te maken, dat, althans naar hun en anderer meening, toekomst heeft en dat niet alleen voor de veenderij nieuw perspectief opent, maar ook hét benauwende vraagstuk der overproductie van stroo tot een oplossing zou kunnen brengen. Dit product is een „aanmaakturf’, vervaardigd uit een mengsel van veen en stroo, het best te vergelijken met een eerste kwaliteit haverstroo-turf en als vuurmaker waarschijnlijk deze dure turfsoort nog overtreffende. De proef, die wij er mee konden nemen, leerde ons althans, dat de Geraro-turf – onder welke naam men het product te zijner tijd aan de markt wil brengen – zonder behulp van petroleum uitstekend vlam houdt en voldoende duurzaam vuur levert om de andere brandstof gloed te geven. Gezien de beperkte hoeveelheid haverstroo, die beschikbaar is, doordat het z.g. „lok” lang niet overal in het veen voorkomt, kan zeker geacht worden, dat er voor de Geraro-turf plaats is op de markt. De uitvinders hebben reeds zekerheid, dat hun voor de vervaardiging van het nieuwe product octrooi wordt verleend. De desbetreffende autoriteiten hebben niet alleen groote belangstelling voor de Geraro-turf betoond, maar waren ook voldaan over de resultaten van genomen proeven. Behalve veen- zijn ook stroodeskundigen op de hoogte gesteld en zien er een mogelijkheid in om een hoogst belangrijk nieuw afzetgebied te vinden voor het overtollige stroo. Uiteraard kunnen wij, zoolang de productie nog niet begonnen is, geen nadere bijzonderheden over het fabricage-proces meedeelen..

De heeren Geraets en Roosken meenen evenwel, dat het niet ondenkbaar is een zoodanige markt te vinden, dat ’t geheele stroo-teveel voor loonenden prijs – zij noemden ƒ 12 per 1000 Kg. – kan worden opgekocht.

De burgemeester van Emmen, mr. J. L. Bouma, heeft natuurlijk zijn volle medewerking toegezegd om eventueel te komen tot vestiging van een fabriek in deze gemeente, terwijl contact is gezocht met het Stroo-Verkoopbureau, de Groninger Maatschappij van Landbouw en andere bij de stroo-afzet betrokken organen, teneinde de meest geëigende productie- en afzet-organisatie in het leven te roepen. De tot nu toe gemaakte proef-turven zijn door handwerk verkregen, maar in samenwerking met de turfstrooiselfabriek der firma A. Veldkamp te Erica onderzoekt men de mogelijkheid van machinale productie, waarbij de aanvankelijke uitkomsten gunstig schijnen te zijn. De uitvinders meenen, dat met de Geraro-turf een product werd gevonden, dat er vlot zal ingaan. Het volkomen natuurlijke principe der menging van stroo en veen – haverstrooturf is eigenlijk niets anders dan dat — brengt mee, dat de afnemers er niet vreemd tegenover zullen staan en de prijs behoeft niet te hoog te zijn. Doordat de hoeveelheid veenspecie in verhouding tot die van het stroo gering is, behoeft men niet te vreezen voor het eerlang uitgeput raken van grondstof en zal inderdaad, bij goede afzet-organisatie, het stroo een natuurlijke bestemming gevonden hebben.

De uitvinders meenen dan ook aanspraak te mogen maken op de vanwege de Groninger Maatschappij van Landbouw uitgeloofde premie voor het vinden van nieuwe afzetmogelijkheden. Hoofdzaak is evenwel, dat de fabricage van de Geraro-turf spoedig op gang wordt geholpen, waardoor Emmen een industrie rijker zou worden, die geheel steunt op de streek zelve en levensvatbaarheid heeft, omdat zij niet kunstmatig opgezet behoeft te worden en haar product zoowel in het geheele binnen- alsook in het buitenland ware te plaatsen.

Laat ons hopen, dat de heeren Geraets en Roosken hun moeizaam zoeken beloond vinden in een bloeiend bedrijf, dat heel wat handen werk zou kunnen verschaffen! Hoewel: er zijn ln den loop der jaren al meer hoopgevende ontdekkingen gedaan, waarvan later niets meer werd vernomen, zoodat eenige reserve geboden blijft.

Noot: Haverstro bevond zich soms aan de bovenkant van een veenlaag. Het bestond uit lichtglanzende stengelresten van planten en had een stro achtige platerige structuur waardoor het zeer goed brandde en als aanmaakturf werd gebruikt. Daar er vaak maar een beperkte hoeveelheid beschikbaar was, was het nogal aan de prijs.

Door het uitbreken van de oorlog kwam er van de plannen niet veel terecht. De bezetter verbood om het stro te gebruiken omdat zij het voor andere doeleinden nodig hadden. Rond 1950 werden de pogingen om het product op de mark te brengen hervat maar dit werd geen succes. Dit kwam mede doordat steenkool in opmars was. Een kachel gestookt op steenkool kon men ’s nachts zachtjes laten doorbranden en dus behoefde de kachel ’s morgens niet aangemaakt te worden.

Het stro vraagstuk liet Piet Geraets niet los en hij maakte een plan om stro met cement te vermengen en zo platen van te maken welke bij de bouw van huizen kon worden gebruikt. Helaas voor hem waren anderen hem met hetzelfde idee al voor.

Nadien hield Piet zich alleen bezig met zijn winkel welke hij later aan zijn zoon (Piet jr.) overdeed. Deze maakte er later een supermarkt van. Piet Sr. overlijdt op 29 juli 1961. Zijn vrouw overlijdt op 20 februari 1978. Hun zoon begint later in Emmen nog een tapijtzaak en een zaak voor Projectinrichting.

Epiloog

Wij hopen dat u niet alleen hebt genoten maar ook een stuk wijzer bent geworden als het gaat om de geschiedenis van Erica.

Wij, van de HKE, zijn zeer ingenomen met al het speurwerk van ons kringlid Henk Sijbom. Speurwerk naar de “handel en wandel” van al die eigenaren en uitbaters van “Hotel Hofhuis”, ontegenzeggelijk een voor zijn tijd roemrucht etablissement met zeer voortvarende eigenaren en uitbaters.

Stuk voor stuk ondernemende  en soms kleurrijke lieden die ook toen het al helemaal zagen zitten op Erica. Helaas voor de een iets meer geluk en fortuin als voor de ander, maar met hun daden en namen lieten zij tot op de dag van vandaag nog steeds niet uitgewiste sporen achter in en op ons prachtige dorp.

Een dorp waar het sinds 1863 nog steeds goed toeven is. En samen zorgen wij er voor dat dit zo blijft.

3 reacties op “De kasteleins tegenover de R. K. Kerk op Erica (deel 4)”

  1. Thea de Lange Prinsen schreef:

    Wat ‘n tijd en energie is in deze 4 interessante afleveringen gestoken! Chapeau!

  2. Henk Sijbom schreef:

    Het café wat op naam van Mina Stout stond ( de eerste vrouw van Piet Geraets) was niet Hofhuis maar café Stout.

  3. Ans Brinker schreef:

    Bedankt voor de mooie verhalen .
    Bernardus Brinker is mijn overgrootvader en was ook 1 van de kasteleins van hotel Brinker.l
    Mooi ,zo trekt de geschiedenis aan je voorbij,,

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ vier = 12

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.