De kasteleins tegenover de R. K. Kerk op Erica (deel 2)

Geplaatst op 09-07-19 door Gerhard Vedder

In deel 1 zijn we via de eerste eigenaar van Hotel Hofhuis, Albert Plas, langs meerdere uitbaters van het logement annex Hotel Hofhuis aangekomen in 1895. Het jaar waarin Albert het door hem in 1865 gebouwde pand verkocht aan Mattheus Schroote. In deze 30 jaren kende het pand maar liefst 5 ondernemende uitbaters (zie deel 1) en met ons HKE lid Henk Sijbom neem ik u graag mee naar de volgende etappe en uitbaters van Hotel Hofhuis.

En nu we het er toch over hebben, sommige dorpsgenoten vroegen mij: “Welke Henk Sijbom is dat, die dat allemaal uitzocht en zo mooi op een rijtje zette?”

En nog belangrijker is de vraag: “Van wie is hij dan iene?”

Wel, Ik denk dat we die vraag in het inmiddels gepubliceerde en gretig gelezen “Intermezzo” door Henk zelf uitvoerig en naar ieders tevredenheid behandeld hebben en dat we nu weer verder gaan met Henk en zijn speurwerk naar de eigenaren en uitbaters van Hotel Hofhuis

In deel 2 gaan we van 1895 via een 4-tal eigenaren/uitbaters naar 1904.

Mattheus Schroote was de zoon van J.H. Schroote en M.M. van der Werf.

Deze J.H. Schroote was een succesvol zakenman. Hij is handelaar en aannemer en in het bezit van diverse panden in de binnenstad van Groningen.

Het gezin telt acht kinderen: Anna Maria (1856), Fokko,(1857) Allegonda en Anna Maria Elisabeth (1859, tweeling), Mattheus (1860), Catharina Hermanna en Fokko (1862, tweeling) en Anna Maria Elisabeth (1864).

De meeste kinderen overlijden echter al op jonge leeftijd. Fokko (1857) wordt maar twee maanden, de twee tweelingen overlijden ook binnen een half jaar. Anna Maria (1856) overlijd in 1890 (34 jaar) en is nooit getrouwd geweest. Anna Maria Elisabeth (1864) overlijdt in 1889 (25 jaar) en is ook niet getrouwd geweest.

Mattheus zijn vader is, zoals gezegd, koopman en timmert (letterlijk) veel aan de weg. Dit blijkt uit de volgende zaken.

Op 7 februari 1861 dient hij een aanvraag in bij de gemeente Groningen  voor vernieuwbouw van 3 woonkamers op de grote Rozenstraat L218 in Groningen.

Op 1 februari 1875 doet hij bij de gemeente Groningen, samen met F. Nienhuis, een aanvraag voor de bouw van 4 woningen op het adres Noorderwalhof (kadestraal G2398)

Als Mattheus 22 jaar is overlijd zijn vader (12-6-1882) zijn moeder overlijdt op 13 april 1887

Zoals gezegd overlijdt het echtpaar enkele jaren na elkaar. Of het echtpaar op dat moment onroerend goed in bezit had is niet helemaal duidelijk maar waarschijnlijk waren ze niet onbemiddeld.

Mattheus neemt blijkbaar het werk van zijn vader over, want op 21 december 1889 is hij de laagste inschrijver (ƒ88,-) voor het maken en leveren van 300 stuks naaikussens voor de openbare lagere scholen in Groningen.

Hij is inmiddels in de gemeente Emmen op 30 mei 1899 getrouwd met Reinou Jorna (geboren in Bolsward en woonachtig in Erica). De vader van Reinou (weduwnaar) was in 1885 in Erica komen wonen bij zijn schoonzoon Thomas Aukes. Aukes was getrouwd met Minke Jorna een zuster van de vrouw van Mattheus. Aukes was vervener (voor vervener van J. C. Blarcum, die ook burgemeester van Ankeveen was) en exploiteerde vanaf 1875 een steenbakkerij in Erica welke echter al in 1884 werd verkocht.  In de trouwacte van Matteheus en Reinou staat vermeld dat zijn beroep behanger is. Als getuige is zijn oom, Johannes van der Werf, logementhouder in Groningen. Het paar gaat ook in Groningen wonen. Bij de geboorte van hun eerste kind (24 juni 1890) is zijn beroep ook behanger. Bij de geboorte van het tweede kind (7-6-1891) heeft hij ,,geen “ beroep. Op 28 november 1892 wordt hun derde kind geboren en weer geeft hij als beroep op ,,geen”.

Op 12 december 1891 is er in de gemeenteraad van Groningen een beklag van M. Schroote en andere bewoners aan de percelen in de omgeving van de Radebinnensingel, de Trompstraat en de Radesingel. Het gaat hierbij om betere afwatering, verlichting en trottoirs. Dit beklag had waarschijnlijk ook te maken met zijn werk (en eigen belang) want op 9 januari 1892 dient hij bij de gemeente Groningen, samen met een zekere Homveld, een verzoek in voor het leggen van stoepen op de Radesingel (kadestraal H 2196 t/m 2198). Ook werden hier nog enkele gebouwen neergezet. In de krant ,,Recht voor Allen” (orgaan der Sociaal- Demokratische Partij)  wordt op 3 april 1892 zijn naam genoemd i.v.m. de Katholieke feestdag Maria Boodschap. Werknemers welke Katholiek zijn wordt verboden die dag te werken op straffe van ontslag, ook al ging men al jarenlang niet meer ter kerke. Voor deze “vrije” dag stond geen enkele schadeloosstelling tegenover.

Bij deze werkzaamheden aan de Radesingel werd een oud kanon opgegraven en volgens diverse deskundigen is het een kanon van voor 1496. Het  voorwerp werd geschonken aan het museum van oudheden in Groningen.

Op 11 januari 1893 laat hij op een vergadering ter bevordering van de bouwkunst een tekening zien van de nieuwe St. Martinus kerk.

Het gezin vertrekt in mei 1893 naar de gemeente Emmen. In het bevolkingsregister wordt als zijn beroep vermeld ,,kamerbehanger”.  Op 19 december 1893 wordt het vierde kind in Erica geboren. In de geboorteakte staat dat zijn vader “zonder” beroep is. Later worden er nog twee kinderen in Erica geboren.

In augustus 1893 had hij het logement in Erica van Albert Plas voor ƒ 4000,00. gekocht. Gezien de prijs was het geen simpel kroegje en was er behoorlijk geïnvesteerd door Plas. Wat beweegt een succesvol ondernemer om zijn geld in een  logement te steken in de Zuid- Oosthoek van Drenthe waar het bepaald geen rijkdom was?

Allicht kwamen er op de veenverwerking kooplieden en reizigers langs welke onderdak moesten hebben, hoewel de hoogtijdagen in de vervening na 1890 wel terug liepen met de komst van steenkool. Zijn schoonvader gaat ook bij hem inwonen (zijn zwager T. Aukes was begin dat jaar overleden).

Al in het begin 1893 heeft hij een vergunning aangevraagd voor het schenken van sterke drank (als zijn beroep wordt vermeld: “zonder”). Op 27 april gaat er namelijk een brief van de gemeente Emmen naar de gemeente Groningen met verzoek om inlichtingen of er redenen zijn om deze vergunning te weigeren.

Op 5 mei komt er bericht uit Groningen dat er geen bezwaren zijn.

In de vergadering van B&W van 18 juli 1893 wordt besloten de vergunning te verlenen. De aanvraag is gebaseerd op een al eerder afgegeven vergunning op 7 september 1892, voor dezelfde locatie, aan de heer Willem Boersma. De geldigheid van de aangevraagde vergunning voor Boersma liep t/m 30 april 1893.

De geldigheid van de verleende vergunning aan Schroote is tot eind april 1894 met dien verstande dat deze telkens per jaar verlengd wordt mits voor het eindigen van de termijn het verschuldigde vergunningsrecht voor de volgende termijn is betaald. Of Boersma ook in dienst bleef is mij niet helemaal duidelijk.

Al de activiteiten in Groningen hebben hem blijkbaar geen windeieren gelegd want op 30 november 1893 is er in Groningen een publieke verkoping van een behuizing, woningen en woonkamers in opdracht van H. Schroote te Erica. In totaal worden 36 stukken te koop aangeboden te weten: 1 stuks behuizing (voorkamer, keuken, bovenkamer en zolder), 4 woningen met achterhuis en bleekveld, 2 woningen met achterhuis en open grond, 1 woning met open plaats, 1 woning met beneden- en bovenkamer en schuur, 21 woonkamers en nog 6 woningen.

De totale opbrengst van de veiling is ƒ 31.479 . Met deze opbrengst kon er in het logement geïnvesteerd worden zodat het hotel waardig werd.

In juli 1894 passeert er bij notaris Weijs te Coevorden een acte waarbij M. Schroote van de Noordelijke Hypotheekbank te Zorgvliet een lening krijgt van ƒ 3000,00.

Als onderpand geeft hij het hotel en de bijbehorende grond op. In de acte wordt vermeld dat de grond verkregen is bij akte van koop en het huis door stichting. Hieruit kunnen we opmaken dat hij het bestaande pand her- of verbouwd heeft (bij het kadaster staat een aantekening: 1894 Herbouw). Als beroep geeft hij op: agent der Eerste Hollandsche Levensverzekeringbank.  Met deze nieuwe lening is het hotel waarschijnlijk verder uitgebreid. Het hotel had beneden 6 kamers en boven 3 kamers. Verder een zolder, veranda schuur en stallen, put- en regenwater pompen en een mooie tuin en moestuin. De totale oppervlakte was 1.51.5 Ha.

In 1894 maakt hij ook deel uit van een commissie voor de aanleg van een straatweg van Nieuw-Amsterdam naar Erica, wellicht met de gedachte om overnachtingen aan te bieden aan reizigers en kooplieden (in Nieuw-Amsterdam waren voldoende overnachtingsmogelijkheden). In deze commissie zaten o.a. ook jhr. J.H. van Holte tot Echten, H. Lamberts en J. Vos uit Nieuw-Amsterdam en Hofhuis en W. Westera uit Erica. Eind juni 1890 wordt het nichtje van Reinou (Lodewieke Jorna, dochter van haar broer Lieuwe) aangesteld als dienstmeid. Ze verblijft hier ruim een jaar.

Het pand van Schroote was zeker niet het enige etablissement op Erica waar sterke drank geschonken werd. Anderen waren o.a.: Töller, Nijman, Stout en Heise. Hoewel ze concurrenten waren ging men toch op zekere schaal zeer collegiaal met elkaar om.

Töller had zijn zaak op nog geen honderd meter afstand van die van Schroote. Na het overlijden van kastelein Harm Nijman was Mattheus Schroote voogd over diens minderjarige dochter Anna Alida. Bij het afhandelen van de nalatenschap van Nijman werd Johan Heinrich Töller door M. Schroote als gemachtigde aangewezen.

Harm Nijman werd in een brief van evangelist Jonker uit Erica eens genoemd welke hij in 1889 aan de leden van de raad van de gemeente Emmen schreef:

Zondag aan Zondag zit menig ouderhart in spanning, als het maar eenigszins denkt, hun kind bij Nijman is. Reeds enkele malen bezocht adressant Zondags avonds deze kroeg, niet alleen om de jonge menschen te vermanen, maar ook om zich persoonlijk te overtuigen van de ellende welke hier haar oorsprong vindt. De toneelen in deze herberg zijn in één woord ergerlijk, en niet minder ergerlijk wat geschied wanneer de kroeg verlaten wordt. Zelfs de buren van Nijman spraken over deze wenschelijke zaak, en ondergeteekende overdrijft niet, als hij in bedaard overleg ter neder schrijftzeker wel honderd maal gehoord te hebben: “God gaf dat die boel uitgeroeid werd”, of: “Ik wou dat die kroeg afbrandde”, of : “Kan er niets gedaan worden, dat die kroeg gesloten wordt? “

De nalatenschap van Nijman bestond uit: 1. Huis met bouwland en weiland, 2. Veen met ondergrond met hierop enkele huizen, 3. Veen en ondergrond.

Perceel één werd verkocht aan H.G. Nijman (zoon van Harm Nijman), perceel twee werd verkocht aan B.H. Brinker die het kocht als mondeling gemachtigde van J.H. Hofhuis, perceel drie werd verkocht aan H.G. Nijman die het kocht als mondeling gemachtigde voor B.H. Brinker en J.H. Töller.

Evenals veel van zijn familieleden had Mattheus geen sterke gezondheid want hij overlijdt op de jonge leeftijd van 37 jaar (23 maart 1897).

Het hotel had hij ruim een maand eerder, op 15 februari 1897, verkocht aan Frans Bentlage, akkerbouwer uit Erica.

Bentlage koopt het hotel voor ƒ1000,00 maar er zit echter nog een hypotheek op van ruim ƒ2800,00 op welke hij er ook bij overneemt. Vermoedelijk bleef Mattheus zijn schoonvader na overname in het pand wonen.

Direct na zijn overlijden vertrekt zijn weduwe Reinou (Reinara Jorna) met 6 minderjarige kinderen naar  Nijmegen. Een van de kinderen, Joseph Maria Eusebius, overlijdt daar in 1898 op 3 jarige leeftijd. Uit de succesmemories van Mattheus blijkt dat hij in Groningen nog 2 herenhuizen en 7 woonhuizen aan de Radesingel heeft. Ook is er nog een bedrag van ƒ 998,- over.

Reinou heeft maar kort in Nijmegen gewoond want al spoedig verhuist zij naar Zwolle waar haar broer Johannes woont die daar horlogemaker was. Op 7 september1899 overlijdt zij daar op 38 jarige leeftijd. Gerben Jorna gehuwd met Grietje Bruinsma worden voogd over de kinderen ( hij was een neef van Reinou, het echtpaar had zelf geen kinderen).

Op 14 oktober 1899 worden 2 jongens (Theo geb. 1891) en (Jan geb. 1892) in het St. Catharina Gasthuis in Grave geplaatst (“Gesticht voor Blinden, Weezen en Verlaten Jongens”). Op 15oktober 1899 wordt het jongste kind (Leo geb. 1896) bij zijn tante, de weduwe Aukes, in Erica ondergebracht. Het meisje (Ludovica geb. 1893) wordt geplaatst bij het Pensionaat Sint Anna in Zundert, een meisjesinternaat door religieuzen geleid. Volgens overlevering heeft haar zus (Margaretha geb. 1890) daar ook gezeten.

Dat de kinderen naar Zundert gingen kwam hoogstwaarschijnlijk doordat een schoonzuster/zuster van hun voogden (A.M.J. Bruinsma) kloosterzuster was in Zundert. Op 7 augustus 1901 worden de twee jongens vanuit Grave overgebracht naar het instituut Saint Louis in Oudenbosch, een R.K. internaat door broeders geleid.

Hun jongste broer komt hier ook op 20 september 1905 vanuit Erica terecht.

Van de jongens wordt Theo op 12 augustus 1907 uitgeschreven en vertrekt naar Bolsward. De andere twee jongens worden ruim een jaar later op 24 augustus 1908 uitgeschreven en vertrekken ook naar Bolsward. Het meisje Ludovica wordt uitgeschreven op 22-4-1910 en vertrekt ook naar Bolsward.

Op  18-4-1914 wordt er in Leeuwarden bij notaris A.W. Koch een akte opgemaakt waarbij de twee herenhuizen en zeven burgerhuizen in Groningen worden verkocht. Verkopers zijn: 1. Gerben Feikens Jorna, wonende te Bolsward, voogd over Ludovica Maria en Leo Joachim Schroote, 2. Margaretha Michalina Monica Johanna Schroote, wonende te Bolsward, 3. Theodorus Johannes Leonardus Schroote, wonende te Bolsward, 4. Johannes Hermannus Schroote, wonende te Keulen.

De koper is Joseph Johannes August Linnhof die voor ƒl. 51.500 de eigenaar wordt.

We mogen wel concluderen dat de het Ericase avontuur niet een erg gelukkige episode voor de familie Schroote is geweest. Maar inmiddels was dus Frans Bentlage, landbouwer op Erica, voor ƒ1000,00  en een flinke hypotheek de eigenaar van het logement annex hotel geworden.

Frans Bentlage werd geboren op 5 oktober 1869 in Barger Compascuum. Zijn ouders Jan Berend Bentlage en Maria Helena Koop trouwden echter pas in 1873. Bij dit huwelijk werd Frans als hun kind erkend. Ook werd er nog een broer van Frans (geb. in1866 te Altenberge (Pruisen)) en nog een zus (geb. in 1871 in Barger Compascuum) erkend.

Later worden er in Barger Compascuum nog vijf kinderen geboren. Frans trouwt in Emmen (1894) met Maria Gesina Gebbeken, geb. 6 juni 1873 in Barger Compascuum. Het beroep van Frans is dan “arbeider”.

Na hun trouwen gaat het echtpaar op Erica wonen. Hier wordt in september 1895 hun eerste kind geboren. Er zouden nog zeven kinderen volgen. Hij begint een landbouwbedrijf naast de R.K. kerk. Na drie jaar daar gewoond te hebben neemt hij het hotel van M. Schroote over (dit stond tegenover zijn bedrijf hij zal de fam. Schroote  ongetwijfeld goed gekend hebben). De koopprijs is ƒ 1000,- maar er zit nog een hypotheek op van ƒ 2823,09 welke hij er ook bij overneemt. Wat zijn beweegredenen zijn geweest om het hotel over te nemen is mij niet duidelijk geworden. Hij is er zelf nooit uitbater van geweest. Meest waarschijnlijk is dat de schoonvader van M. Schroote  (Dirk Gerbens Jorna) de zaken nog heeft behartigd.

Binnen een jaar verkoopt hij het hotel aan B. H. Brinker.

Frans gaat ondertussen door met zijn landbouwbedrijf. In 1910 is hij een van de initiatiefnemers van het oprichten van de Boerenleenbank in Erica. In de loop der tijd breidt hij zijn bedrijf uit tot ca. 22 Ha. In 1915 haalt zijn naam de krant nog doordat er een praam met aardappels zonk.

In 1925 verkoopt hij zijn bedrijf deels aan J. T. Vennedunker en deels aan B. Lubberman en   verhuist met zijn gezin naar Eindhoven. Ze komen daar te wonen aan de Wilgenstraat. In een van de woningen die begin dat jaar in opdracht van Philips zijn gebouwd.

Bij Philips werd Frans fabrieksarbeider, heel wat anders dan landbouwer. Hij overlijdt in Eindhoven op 5 maart 1933. Zijn vrouw overlijdt op 17 mei 1955.

Bernardus Hendrikus Brinker (Berend) werd geboren op 28-4-1851 in Slagharen. Zijn vader was Berend Brinker en zijn moeder Anna Maria Dorothea Kleine Staarman. Hij was de tweede in het gezin. Anna Maria was een oudere zus, Johannes Hermannes en Willemina waren een jongere broer en zus. Als hij negen jaar is overlijdt zijn vader. Zijn moeder trouwt een paar jaar later met Johann Matthijs Langelage.

Op 12 juli 1878 vertrekt hij naar Erica. In het dienstboden register staat als zijn beroep vermeld, “vervener”.

Voorlopig neemt hij zijn intrek bij logement Plas (Hotel Hofhuis).

Hij begint voor zichzelf maar is ook als zetbaas van vervener J. W.  Hofhuis. Aannemelijk is dat hij aanvankelijk contact had met A. Hofhuis (vader van J. W. Hofhuis) die al in 1865 grondaankopen in Nieuw-Amsterdam en Erica deed en later ook nog een bakkerij had in Erica.

In februari 1879 trouwt hij met de dochter van A. Hofhuis (Anna Gesina, geb.31 oktober 1849 in Neuenhaus). De zoon van A. Hofhuis, Johan Willem, doet in de tachtiger jaren al diverse aankopen in Erica. Berend behartigt dan zijn zaken. Aanvankelijk was deze Johan Willem confiseur in Amsterdam.

De broer van Berend, Johannes Hermannes, komt op 3 januari 1879 in de gemeente Emmen wonen. Samen met Berend doet hij zaken, hij trouwt op 1 maart 1889 met G.B. Wessel (een dochter van voormalig kastelein Willem Wessel). Ook zijn zuster Willemina komt met haar man (J.A. H. Bruggenwirth) rond 1898 in Erica wonen. Met deze zwager doet Berend later ook diverse veen aankopen.

Hoewel nergens akten zijn dat ze samen één firma zijn, komen ze naar de buitenwereld als “gebroeders Brinker” over. Ze hebben samen namelijk wel mensen in dienst. In maart 1881 verschijnt er in de krant een artikel waarbij een van hun werknemers onrechtmatig turf aan zichzelf toegeëigend heeft. In januari 1882 leent Berend ƒ 500,- van pastoor Geerdes in Erica.

De pastoor zal ongetwijfeld de fam. Brinker gekend hebben want hij kwam uit een vervenersfamilie uit Dedemsvaart/Slagharen (aangenomen mag worden dat het geld uit het familie bezit van de pastoor kwam en niet via de collecte schaal). In april van hetzelfde jaar koopt Berend voor ƒ 1000,- een stuk veen en ondergrond. Berend heeft ook wel een handelsgeest want in januari 1885 staat er een advertentie in de krant waarin hij een veenplaats van ruim 5 Ha. te koop aanbied.

Zoals gezegd behartigde Berend de zaken van J. W. Hofhuis. Deze had rond 1886 al diverse stukken veen aangekocht o.a. aan de Strengdijk (tussen de Ensingswijk en de Kommerweg). Berend had zijn woning aan de Pannekoekendijk.

Enkele jaren eerder was er in dezelfde omgeving een lokfabriek gebouwd door de Franse ondernemer Allagnou met zijn compagnon. In deze fabriek werd vezelrijk veen (lokveen) dusdanig bewerkt en met behulp van bindmiddelen verwerkt tot een soort vilt. Van dit vilt kon men dan hoeden maken.

Al in 1883 was er in de krant een advertentie geplaatst voor het aanleveren van lokhoudend veen. In de advertentie staat dat de fabriek in Nieuw-Amsterdam wordt gebouwd maar dit was in Erica.

Als de directeur, Allagnou, in Erica verbleef had hij een overnachtingsplaats in de buurt van zijn fabriek. Allicht heeft Berend deze persoon wel eens ontmoet hoewel het toen waarschijnlijk niet tot een gesprek kwam want dhr. Allagnou sprak alleen Frans. Na een paar jaar ging de fabriek echter al ter ziele daar de vezels door uitdroging hun structuur verloren.

Op 12 december 1886 wordt de gehele inventaris van de fabriek te koop aangeboden. Bij het huis van B. H. Brinker staat wat slaapkamer meubilair. Het is niet onmogelijk dat Allagnou af en toe de tijdelijke buurman van Berend was.

In deze tijd was er veel onrust in de veenstreken. Er werden ramen ingegooid bij verveners en winkels. In april 1888 was er een grote staking waaraan wel 1500 personen aan mee deden. De stakers gingen naar Nieuw-Amsterdam waar een aantal verveners en onderbazen vergaderden over de eisen van de stakers (hoger loon en geen gedwongen winkelnering).

Berend Brinker was hierbij aanwezig als vertegenwoordiger van zijn zwager J. W. Hofhuis.

Door de regering de werd in die tijd de “enquête staatscommissie arbeid” gehouden.

Met dit onderzoek kwam een lijst van vraagpunten aan de orde over de maatschappelijke toestanden der arbeiders, over de verhoudingen van arbeiders en werkgevers in verschillende bedrijfstakken en over de toestand van werkplekken met het oog op veiligheid en gezondheid.

In deze enquête werd Berend Brinker ook gehoord in zijn hoedanigheid als veenbaas voor Hofhuis. Tevens werd in deze enquête dhr. Melgert verhoort (veenarbeider bij Hofhuis in Erica). Ook de evangelist Jonker uit Erica werd gehoord.

In deze gesprekken zegt Brinker dat de lonen bij hem thuis werden uitbetaald en volgens hem de arbeiders vrij zijn om al dan niet bij hem in de winkel te kopen. Hieruit blijkt dat hij ook winkelier was. Ook zegt hij dat hijzelf ook (een kleine) vervener is. Volgens Brinker zijn de producten in zijn winkel niet duurder dan in winkels welke niet aan veenbazen toebehoren.

Volgens Melgert waren er wel goedkopere winkels die even goed waren als die van de veenbazen.

Ook werd de vraag aan Brinker gesteld of de arbeiders klagen dat het werk te zwaar is. Het antwoord van Brinker was: “Neen, het spreekwoord zegt: die’t hangen gewoon is, wordt er aan gewend. Zij weten niet anders, het is van kinds af bij hen ingeworteld”.

Op 19 september 1891 overlijdt zijn vrouw (A.G. Hofhuis). Het echtpaar heeft dan al negen kinderen gekregen waarvan er ook al twee overleden zijn.

Als zijn vrouw overlijdt, is het jongste kind slechts 13 dagen oud.

Op 7 april 1893 trouwt hij met Katharina Hermina (Cato) Savenije (geb. 24 september 1858 te Coevorden). Uit dit huwelijk worden nog drie kinderen geboren waarvan er een al na een paar dagen overlijdt.

Op 31 oktober 1896 koopt Berend uit de nalatenschap van Harm Hendrik Nijman, als gemachtigde van J.W. Hofhuis, een stuk veen en ondergrond van ruim 7 Ha. Bij dezelfde verkoping koopt Hendrikus Gerardus Nijman als gemachtigde voor Berend Brinker en J. H. Töller veen en ondergrond van ruim 6 Ha. voor ƒ 1626,50-. Töller en Brinker doen dus samen zaken.

In december 1896 koopt Berend samen met zijn zwager J.A.H. Bruggewirth  een deel van de voormalige veenderij “Nieuw Haarlem” inclusief huizen en vier keten (totaal ruim 33 Ha.)

 De naam Nieuw Haarlem was ontstaan omdat een aantal jaren terug dit stuk veen gekocht werd door de fam. Figéé uit Haarlem. Deze familie was ook eigenaar van een machinefabriek en een scheepswerf (voor baggerschepen). Voor de vervening richtten zij de veenmaatschappij “Nieuw Haarlem” op. De veenderij lag tussen de Pannekoekendijk / Noordersloot / Hertenbaan. Naast de plaatsaanduiding Erica werd dit hele gebied ook wel als Nieuw Haarlem aangeduid. In het kadaster staat in een aantekening van1902 onder de kolom ,,polder gehucht of plaatselijke benaming”, Nieuw Haarlem.

Op de veenderij welke gekocht werd stonden 4 keten. In de “enquête staatscommissie veenderijen” omschrijft evangelist Jonker keten als volgt:

In den regel hebben zij een steenen gevel; van achteren plaggen; van binnen 2 bedsteden van ongeschaafde planken met een kastje; tot zolder een paar ongeschaafde planken; eene hoogte van gemiddeld nog geen 2 M., eene breedte van 3 tot 3’/o M., en eene lengte van 4 a 5 M. voor het huisvertrek. Die twee bedsteden moeten voor het gansche gezin dienen. Onlangs was ik bij een kranken arbeider, die in een eigen keet woonde. Daarin bevond zich slechts ééne bedstede, waarin hij, zijne vrouw en 3 kinderen, waarvan het oudste hoogstens 9 jaar. was, moesten slapen.

Vraag:. Hebben deze keten steenen vloeren ?

Antwoord: Zeer zelden, in den regel leemen vloeren. Onlangs zag ik nog een nieuwe keet, waar het gezin eenvoudig op afgestoken plaggen huisde.

Over de keten welke bij Nieuw Haarlem stonden zegt de evangelist het volgende:

Vraag: Zijn de allerslechtste hutten niet in den regel eigendom van de bewoners, of is dat te uwent niet gebruikelijk ?

Antwoord: Ja, ook wel, en dan zijn sommige keten, door arbeiders gebouwd, soms nog beter dan sommige keten, door verveners gebouwd. Wanneer men komt op de veenderij Nieuw-Haarlem op Erica, dan zal men daar 8 a 10 keten vinden, die bijna niet bewoonbaar zijn.

 Vraag: Zijn dat keten van de bewoners zelf?

Antwoord: Neen, van den werkgever. Mijns inziens is de groote fout in de veenderij, dat de meeste werkgevers geen hart hebben voor de arbeiders.

In juli 1898 koopt Berend  voor ƒ 1000 veen en ondergrond. Ook in 1898 neemt hij van Frans Bentlage het hotel over. Uit deze tijd stamt ook de eerste foto welke van het complex gemaakt is.

Van de personen op de foto zijn enkele namen bekend. Achterste rij 7e van links: Anna Maria Margaretha Brinker (geb. 19 juli 1883), de man met de hoed is haar verloofde S. H. Esders. De persoon die daar naast staat is Antonius Hermanus Josephus Brinker (geb. 28 januari1881). De liggende jongen links vooraan is Johannes Hermannus Brinker (geb. 30 juli 1889 later geëmigreerd naar Amerika), de persoon daarnaast is Johannes Bernardus Hendrikus Brinker (geb. 16 april 1888 ook geëmigreerd naar Amerika).

Berend is nu vervener en café / logementhouder. Het zakelijke leven gaat door en begin 1899 verkoopt hij een huisplaats voor ƒ 278,00. Een paar maand later leent hij echter samen met zijn zwager (Bruggewirth)

ƒ 2000,00 om andere zaken te bekostigen.

Berend is niet erg lang als logementhouder actief geweest. Hij  overlijdt op 19 augustus 1900 op de jonge leeftijd van 49 jaar. Zijn vrouw blijft achter met negen kinderen waarvan de oudste 20 jaar is en de jongste vier jaar.

Berend krijgt een bidprentje met daarop aan de voorkant een Franse tekst wat hier in de omgeving eigenlijk nooit voorkomt. De vertaling luidt: De pijnen in het leven staan niet in verhouding met de glorie van het hiernamaals.

Zou deze Franse tekst verband kunnen houden met eventuele ontmoetingen met dhr. Allagnou?

De combinatie vervener / logementhouder is voor zijn weduwe geen haalbare kaart.Op 20 december 1900 is er een verkoop van een deel van haar onroerend goed. Haar zwager (J. A. H. Bruggewirth) koopt een deel van Nieuw Haarlem (hij bezat hiervan ook al een gedeelte).Frederik Beuker (bakker) koopt huizen en veen met een oppervlakte van ca. 8 Ha.Hendrik Kampinga koopt veen en keten met een totale oppervlakte van 16 Ha.Bij deze verkoping was J. H. Brinker (broer van Berend) aanwezig als voogd over de minderjarige kinderen uit Berend zijn eerste huwelijk. De weduwe van Berend was aanwezig als voogd over haar kinderen welke ze samen met Berend had.

J.W. Hofhuis (vervener te Erica) was aanwezig als toeziend voogd over de kinderen uit het eerste huwelijk.Martinus Schlepers (landbouwer te Slagharen, zwager van Berend) was aanwezig als toeziend voogd over de kinderen uit het tweede huwelijk.Op 28 februari 1901 is er een openbare verkoping van veengereedschappen.Op 14 maart 1901 is er wederom een grote verkoping van onroerend goed met dezelfde voogden als voornoemd.

Het hotel wordt gekocht door J.W. Hofhuis die ook nog een stuk veen en ondergrond van 6 Ha. koopt. De koop van het hotel wordt nog wel verhoogd met ƒ 40,00 voor de aanwezige zonneschermen.

Een stuk bouwland van 3 Ha. (genaamd de Kamp) wordt gekocht door Dedde Bos, landbouwer te Erica. Hij moet echter nog wel een toeslag van ƒ 75,00 betalen voor de mest welke op het perceel ligt.

Gerlof Zijlstra (vervener te Erica) koopt 6 Ha. veen en ondergrond. Dedde Bos staat garant voor hem. Ook dhr. Töller was bij deze verkoop aanwezig omdat hij gedeeltelijk eigenaar was van een van de verkochte percelen. Ook is er dezelfde dag nog een verkoop van diverse roerende goederen. Op 30 april 1901 wordt er weer een partij roerend goed verkocht. De koper is Johannes van der Veen uit Erica.

Op 14 januari 1904 wordt pas de acte opgemaakt waarin wordt vermeld dat de afhandeling van de nalatenschap van Berend Brinker geheel is afgehandeld. Opvallend is dat de notaris uiterst nauwkeurig te werk is gegaan gezien de afronding van het volgende bedrag ƒ 571,24¹²⁵⁄₁₂₆  (¹²⁵⁄₁₂₆ ste is wel heel nauwkeurig en vast en zeker niet het resultaat van een “telfoutje”)

Waar de weduwe van Berend (K.H. Savenije) na de verkoop van het hotel woonde weet ik nog niet. De verleende vergunning voor het hotel loopt nog wel een poosje op haar naam door. Wel werkte zij later in een winkel (vermoedelijk aan de Veldhuizerwijk). Op 9 maart 1908 komt er plotseling een einde aan haar leven. Zij raakte te water en verdronk.

Het is niet onmogelijk dat zij de winkel waarin zij werkte op haar eigen naam had want na haar overlijden verschijnt er de volgende advertentie in de krant.

De oudste dochter Anna is nooit getrouwd geweest. Na het overlijden van haar vader nam zij een groot deel over van de opvoeding van het gezin. Toen haar zuster Maria overleed (gehuwd met Stefan Esders, vrachtrijder) zorgde zij ook nog voor de opvoeding van twee kinderen uit dat huwelijk. Anna was hoedenmodiste en had een zaak in Klazienaveen.  De oudste zoon verhuist naar Hellendoorn en begint daar een bakkerij.

Dochter A. M. M. trouwt met R. Roosken, eigenaar van een bakkerij in Klazienaveen. De andere twee jongens uit het eerste huwelijk emigreerden naar Amerika. Beiden waren bakker van beroep. De jongste dochter uit het eerste huwelijk trouwt met Jacob Santing uit Zwartemeer, landbouwer/caféhouder. De zoon uit het tweede huwelijk trouwt met A. M. Bakker en begint een slagerij in Zwartemeer. De dochter uit het tweede huwelijk trouwt met Willem Roosken, garagehouder in Erica.

Afijn, het blijft spannend. En dus kijken we hals reikend uit naar deel 3 van het epos over de Kasteleins bij de R.K. Kerk op Erica.

Eén reactie op “De kasteleins tegenover de R. K. Kerk op Erica (deel 2)”

  1. Thea schreef:

    Wat interessant! Ik kijk uit naar het derde deel!

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


9 + negen =

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.