De kasteleins tegenover de R. K. kerk op Erica (deel 3)

Geplaatst op 23-07-19 door Gerhard Vedder

In deel 2 zijn we in 1904 via meerdere uitbaters dan wel eigenaren terecht gekomen bij Berend Brinker. En nu, aan het begin van deel 3 is Johan Wilhelm Hofhuis, een zoon van Anton Wilhelm Hoffhuis (hij had nog 2 f’s in zijn achternaam) de gloednieuwe eigenaar.

Hij zou nog lang niet de laatste eigenaar zijn. Het hotel zal “pas” in 1924 worden afgebroken en voor het zover is wil ik u toch graag nog verder meenemen op het door de familie Hofhuis betreden pad, op Erica en elders.

Johan Wilhelm Hofhuis, die nu de eigenaar is, werd geboren 4 augustus 1851 in Neuenhaus (D). Zijn vader was Anton Wilhelm Hoffhuis en zijn moeder Anna Margaretha Ottens. De achternaam werd zowel met ff als met f geschreven. Hij was het derde kind in het gezin van 10 kinderen waarvan er drie in ieder geval vroeg zijn overleden. Opmerkelijk is dat de oudste drie kinderen zich later in Nederland vestigden. Als Johan 13 jaar is (1864) overlijdt zijn moeder. Zijn vader (Anton) blijft achter met 7 minderjarige kinderen.

Of hij hulp in de huishouding kreeg of dat de kinderen elders werden ondergebracht is mij niet bekend. Wellicht is zijn schoonzuster (Catharina Ottens) bijgesprongen, zij was niet getrouwd. In 1865 kopen zijn vader en zijn oom (G. Otten, landbouwer in Twist) een perceel veen en ondergrond van L. Strating uit Noord-Barge.

Zijn vader verhuist later naar Erica. Of hij daar samen met zijn kinderen naar toe ging kan ik niet achterhalen.

Hij vestigt zicht daar als bakker want in een notariële acte van 2-11-1875 staat vermeld dat hij van zijn (ongehuwde) schoonzuster Catharina Ottens ƒ 1800,- leent, als zijn beroep wordt aangegeven: bakker te Erica.

Als onderpand geeft hij de bakkerij op met 9 Ha 97 are 20 ca. grond. Dit perceel lag vlak naast de katholieke kerk. Bijna vier weken later staat echter de bakkerij met de bijbehorende grond alweer te koop. De verkoop van de bakkerij leverde blijkbaar geen kopers op want op 11 januari 1876 leent Hofhuis sr. van de familie Töller en Schwieters ƒ 2400,-.

Als onderpand dient voornoemde bakkerij met grond en nog een stuk grond van rui 8 Ha. (dit stuk grond lag in de omgeving van de Strengdijk).

Johan Willem komt op 22 mei 1877 bij zijn oom te werken die een banketbakkerij heeft in Amsterdam aan de  Kalverstraat no. 126.

De overgang van het platteland naar Amsterdam zal ongetwijfeld groot zijn geweest. Toch zal hij wel veel bekenden, met name neven en nichten, zijn tegengekomen. Er waren namelijk nog twee ooms van hem welke in Amsterdam woonden. Deze waren eigenaren van een grote kledingzaak. In augustus 1880 vertrekt Johan bij zijn oom en gaat werken en wonen bij Izak Schuur, banketbakker in de Leliestraat 27 in Koog a/d Zaan. Hier werkt hij nog geen jaar want op 1 juli 1881 vertrekt hij daar om op 1 augustus een eigen zaak, met winkel, te beginnen in Amsterdam aan de Reguliersbreestraat no. 49.

Helemaal zelfstandig is hij niet, want hij is in dienst van de Fa. Posthumus.  In Amsterdam zijn nu twee banketbakkerijen Hofhuis, die van Johan Willem en die van zijn oom.

Rechts: het pand aan de Reguliersbreestraat anno 2000.

Op 22 augustus 1882 trouwt hij op 31 jarige leeftijd in Amsterdam met de drie jaar oudere Theresia Susanna Helena Kern, geboren in Amsterdam.

Ze krijgen vier kinderen welke allemaal geboren worden aan de Reguliersbreestraat.

In zijn eigen branche is hij ook actief. In april 1887 wordt de 70e verjaardag van Koning Willem III uitbundig gevierd in Amsterdam. De koning komt daar op bezoek en voor zijn verjaardag wordt hem een cadeau namens de koek- banket- en broodbakkers aangeboden. Om dit alles in goede banen te laten verlopen was er een commissie samengesteld waarin J.W. Hofhuis ook zitting had.

Ongeveer een jaar eerder had hij in Erica aan de Strengdijk een stuk veen aangekocht. Wellicht op aanraden en met bemiddeling van zijn vader die echter in 1887 komt te overlijden in Erica.

Johan Willem heeft er nu een baan bij, vervener. Zoals vermeld, werden de dagelijkse zaken behartigd door zijn zwager B. Brinker. In de enquête staatscommissie arbeid  zegt een van zijn veenarbeiders, W.F.P. Melgert, dat dhr. Hofhuis elke drie weken vanuit Amsterdam naar Erica kwam.

In augustus 1889 doet Johan Willem zijn zaak over aan A. Preusser. Het gezin verhuist van de Reguliersbreestraat naar de Keizersgracht 84.

Eind december adverteert dhr. Preusser in de krant  met kerstbrood dat elke dag in zijn nieuwe zaak te verkrijgen is.

Bij de fam. Hofhuis komt er eind 1889 een pleegzoon in te wonen. Het is Herman Henrich Walbers, geboren 1880. Hij is afkomstig uit Wageningen en is de zoon van Bernadina Hofhuis, de oudere zuster van Johan Willem.

Deze zuster van Johan Willem is in 1883 overleden en haar man H. H. Walbers overlijdt in 1888. De jongen is nu dus wees en wordt in het gezin van zijn oom opgenomen.

Of hij nog bemoeienis met het bakkersgilde had is mij niet bekend maar de hoofdzaak zal nu de veenderijen geweest zijn hoewel de grote afstand zeker niet ideaal was.

In 1891 koopt hij samen met ene Minke machines waarmee turf kan worden bereid. Deze machines stonden aan het Stieltjeskanaal, waarschijnlijk enkele honderden meters vanaf de tegenwoordige sluis (aan de kant van Coevorden). Ten zuiden van Dalerveen lagen namelijk diverse veenputten.

Omdat het regelen van een veenderij in Erica vanuit Amsterdam toch wel lastig was verblijft hij met regelmaat voor langere tijd in Erica.

Zijn ongehuwde, en niet onbemiddelde, tante Catharina Otten woont in een huis van hem en aannemelijk is dat hij dan bij haar verblijft.

In augustus 1892 komt de rest van het gezin uit Amsterdam, inclusief pleegzoon, over naar Erica. Hiervoor had het gezin nog enige tijd in Coevorden gewoond. Ze betrekken een boerderij/winkel naast de katholieke kerk (de grond die aanvankelijk van zijn vader was).

Begin 1893 is er bij de rechtbank in Assen een zaak tegen hem met betrekking tot belastingontduiking. De aanklacht was dat hij personeel zou hebben verzwegen. Hij had één dienstbode maar daarover behoefde hij volgens de wet geen belasting betalen omdat hij vier minderjarige kinderen had. Volgens een commies van de belasting had hij echter nog ander huishoudelijk personeel in dienst. Knechten en bedienden vielen in de hoogste tariefgroep van de personele belasting. Op de zitting verklaarde Hofhuis dat betreffende persoon geen dienstknecht was maar een arbeider die een enkele keer huiswerk verrichtte als schoenpoetsen en messenslijpen. Hij had geen vast weekloon maar werd per dag betaald. Michaël Oldenhuis Gratema, advocaat, zei in zijn pleidooi dat het opmaken van het proces-verbaal een Judashandeling was.

Volgens zijn advocaat was Hofhuis een royaal en eerlijk man en er niet de man naar om op deze wijze belasting te ontduiken.

Ondanks dit pleidooi werd Hofhuis veroordeeld tot een boete van ƒ201,25 (een hoofdonderwijzer in Erica verdiende  toentertijd bijvoorbeeld ƒ700,00 per jaar).

In december 1894 staat er een advertentie in de krant waar in J.W. Hofhuis een aantal veenputten te koop aanbiedt. Boekjes zijn te verkrijgen bij Hofhuis, Töller en Schroote.

Hij verkoopt veenputten maar koopt daarentegen ook diverse stukken veen aan. Deze aankopen gebeurde veelal met geleend geld want Hofhuis was niet bang om wat geld te lenen. Zo leende hij aanzienlijke bedragen van o.a.: de Noordelijke Hypotheekbank te Zorgvliet, Johannes Feldbrugge te Oude Pekela, Nederlandsche Hypotheekbank te Veendam, NV G.J. Krol en Co. Kunstmesthandel in Zwolle, Gerhard Benus in Coevorden en de bankvereniging Schortinghuis en Stikker te Winschoten.

Op 24 augustus 1894 krijgt de gemeente Emmen van het Provinciaal Bestuur van Drenthe een acte van vergunning met de daarbij behorende lijst van aantekeningen voor het gebruik:

van den vervoerbaren stoomketel N˚36 van J.W. Hofhuis te Erica met het verzoek die stukken aan den belanghebbende te doen uitreiken onder kennisgeving dat de gebruikers van vervoerbare stoomtoestellen zorg moeten dragen dat zij die met het besturen er van belast zijn, deze stukken, op aanvraag van de met het toezicht belaste ambtenaar onmiddellijk kunnen vertoonen.

De betreffende formulieren werden door een politie beambte aan Hofhuis verstrekt waarop hij schriftelijk rapport uitbracht aan de gemeente.

Tekst:

De ondergeteekende J W Hofhuis vervener te Erica gemeente Emmen, verklaard, op 27 augustus 1894 uit handen van de dienaar van politie Jacob Dijkstra te Erica te hebben ontvangen de acte van vergunning, hem betreffende, tot het gebruik van den vervoerbaren stoomketel N˚36, de acte van vergunning dd. 18 augustus 1894

Erica, den 27 augustus 1894

                        J.W. Hofhuis

Deze werd gebruikt voor het machinaal verwerken van veen.

In november 1896 treft het noodlot de familie want hun boerderij/winkel brand tot de grond toe af.

Hieronder de tekst van het brandweerrapport:

Brigade Nieuw-Amsterdam N˚ 156.  Afschrift Proces verbaal wegens plaats gehad hebbende brand te Erica gemeente Emmen. Heden den 15e November 1896, kwam mij Jacob Prijs, brigadier bij bovengemelde brigade, door gerucht te kennis, dat er te Erica, gemeente Emmen, een brand had plaats gehad.

Ten dezen onderzoek doende is door mij gehoord Johann Wilhelm Hofhuis, oud 45 jaar, vervener eigenaar en voorheen bewoner van het verbrande perceel die verklaart:

            Vrijdagmiddag ongeveer 12 1/4 uur (13 November jl.) liep ik in het veen en vernam door het luiden der klok, dat er een brand plaats had. Spoedig begaf ik mij derwaarts, waarop mij onderweg werd medegedeeld, dat mijn woning in lichte laaie stond.

            Hierop is door mij met behulp van enige personen nog eenig meubilair en winkelgoederen gered alsmede mijn bureau administratie. Hoe de brand is ontstaan is mij een raadsel; boven op een der slaapvertrekken waar nimmer gestookt of vuur wordt gebracht, is de brand door een schippersvrouw het eerst ontdekt, althans zo is mij medegedeeld.

            Het huis heb ik verzekerd voor een bedrag van ƒ 5000,-, in de Overijsselsche Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij, gevestigd te Zwolle. Het meubilair voor een bedrag van ƒ 8000,-, in de Amsterdamsche Assurantie Maatschappij de Jong en Co.

De winkelgoederen en kruidenierswaren heb ik niet verzekerd en hiervan is het grootste gedeelte verbrand, mede is alles verbrand van mijn Gouvernante en de dienstmeid, die niets verzekerd hebben.

            De schade bereken ik minstens op ƒ 13000,-

            Gehoord Theresia Susanna Helena Kern oud 47 jaar, huisvrouw van Hofhuis voornoemd, die verklaart: Vrijdag 13 november jl., ’s middags omstreeks 12 uur terwijl ik in de winkel stond, kwam een schippersvrouw mij roepen, zeggende, dat er bij ons brand op een der bovenkamers was uitgebroken. De meid wilde hierop met een emmer water naar boven gaan, doch kon zoover al niet meer, om reden alles in lichte laaie stond. Wij hebben toen met behulp van eenige personen uit de beneden vertrekken wat gered, doch de kleeding van mij, van mijne kinderen, die van de Gouvernante en de meid waren boven en zijn allen verbrand. Waar en hoe den brand is ontstaan weet ik niet, daar wij boven nooit met vuur komen, en even te voren, ongeveer 8 a 10 minuten, was ik met mijn dochtertje en de meid nog boven geweest, zonder brand te bemerken of wel dat wij iets konden ruiken.

            Gehoord Catharina Gerards*, oud 23 jaar, dienstbode en Maria Priem, oud 18 jaar, Gouvernante, die verklaren, omtrent het ontstaan der brand, evenals Hofhuis zijne huisvrouw, en zeggen dat alles wat zij bezaten is verbrand, wat zij niet verzekerd hadden.

            Verder is mij Brigadier gebleken, dat het huis van Hofhuis tot de grond is afgebrand, terwijl de daaraan grenzende schuur met het daarin bevindende hooi, is gespaard gebleven.

            Aan kwaadwilligheid of schuld der bewoners valt niet te denken, staande dezen allen gunstig bekend.

            Waarvan acte.

Gesloten te Nieuw-Amsterdam 15 November 1896.

* dochter van J.P Geraets en H.G. Wittendorp

Ondanks deze tegenslag gaat Hofhuis met zijn bedrijf verder. Als aannemer probeert hij het ook. Want in juni 1898 is er een openbare inschrijving van het waterschap Barger- Oosterveen voor het graven van ca. 300 meter hoofdwijk ter verlenging van Hoofdwijk I in gemeld waterschap. Hij is echter op een na laagste inschrijver dus het werk wordt hem niet gegund. Een jaar later is er weer een inschrijving en weer was hij op een na de laagste inschrijver. Het werk werd echter niet gegund zijnde ook de laagste inschrijving belangrijk boven de begrooting  was.

Op 28 november 1900 komt er bij de gemeente Emmen een bericht binnen van het provinciaal bestuur van Drenthe dat de stoomketel N˚ 36 van J.W. Hofhuis buiten dienst is gesteld. Dit n.a.v. een onderzoek van het stoomwezen.

In maart 1901 koopt hij het hotel wat van zijn zwager was geweest. Nu is hij vervener, landbouwer, winkelier, café en logementhouder.

Waarschijnlijk runt hij het hotel op de reeds afgegeven vergunning van zijn zwager.

Op 8 februari wordt hem een vergunning verleend voor het schenken van sterke drank in het klein. De vergunning geldt echter niet voor het gehele hotel. Het betreft de westelijke woonkamer, de zuidelijke gelagkamer en de oostelijke woonkamer.

Hofhuis voorziet het hotel van een acetyleen gas installatie (de installatie moest met carbid gevuld worden). Dit houdt in dat de lampen centraal via een leidingsysteem, worden voorzien van gas. Ook wordt het hotel uitgebreid met een bakkerij (wellicht om zijn oude beroep deels uit te oefenen).

Klaarblijkelijk werden alle werkzaamheden hem te veel want in 1904 is het hotel te huur of te koop.

Er melden zich geen kopers of huurders dus zit er niets anders op dan op dezelfde voet door te gaan. Na het overlijden van zijn zwager (B.H. Brinker) koopt Jan Vos (Broers Zn) als gemachtigde soms grond voor hem. Op 24 januari 1905 koop hij aan de Hoogeveense Vaart samen met Broer Vos (vervener uit Nieuw-Amsterdam) een huisplaats nabij de Heemskerksluis. Een week later koopt Jan Vos als gemachtigde van Hofhuis nog een huisplaats aan de Hoogeveense Vaart.

Als boerenbedrijf doet hij het niet slecht want op 18 augustus 1905 wint hij nog een prijs met aangeboden graan op een landbouwtentoonstelling in Emmen.

De appelbomen bloeien ook op een speciale manier bij hem. Ook heeft hij blijkbaar goede paarden, althans een er van doet mee aan Rijksherfstkeuring van dekhengsten in de provincie Drenthe. Zijn hengst ,, Olaf” wordt echter afgekeurd.

Als caféhouder krijgt hij natuurlijk met allerlei personen te maken welke zijn zaak bezoeken. Hierbij zijn uiteraard ook lastige klanten en als uitbater is het dan wel zaak om dit goed op te lossen.

Bij besluit van Burgemeester en wethouder wordt op 11 december 1906 besloten dat de vergunning voor het schenken van sterke drank in het vervolg niet meer zal gelden voor de oostelijke woonkamer. Dit gebeurde op verzoek van Hofhuis. Het zou kunnen zijn dat er wettelijke aanpassingen nodig waren waar hij het geld niet voor (over) had.

De aan- en verkopen van veen gaan ook gewoon door en op zeker moment is hij een van de grootste bedrijven op Erica. Bijna alle grond tussen Hertenbaan, Hoogeveense Vaart/Ensingswijk, Kommerweg en Strengdijk zijn in zijn eigendom (hierop stonden ook nog enkele woningen). Ook heeft hij grond bij de eerste Boerwijk en aan de Veenschapswijk.

Op 8 februari 1907 vind er een ontploffing plaats in het hotel. Bij het vullen van de installatie met carbid gaat het mis.

In 1907 wordt er in Coevorden een strokartonfabriek opgericht. J.W Hofhuis is hier ook aandeelhouder in. Echter op 13 maart 1907 staat er in het nieuwsblad van het Noorden dat J.W. Hofhuis 65 Ha. grond aaneengesloten te koop aanbiedt, waarvan 30 Ha. reeds is aangemaakt, half gras en half bouwland.

De grond is gelegen aan de Hoogeveense Vaart en de Dedemsvaartsche Stoomtram. Alles met kanalen doorsneden. Deze aankondiging geeft te denken want 65 Ha. was een zeer groot gedeelte van het bedrijf. Wellicht dat de bedragen tussen inkomsten en uitgaven niet helemaal in balans waren. Waarschijnlijk heeft de verkoping niet plaats gevonden althans blijkt dat niet uit notariële akten. Dat de huizen welke in zijn bezit waren niet altijd even goed waren blijkt uit een vergadering van B&W van 27 augustus 1907. In deze vergadering werd besloten om een aantal woningen onbewoonbaar te verklaren, waaronder de woning van Jac. Hoogland te Erica, in eigendom van dhr. J.H. Hofhuis.

Ondanks de problemen met zijn boerenbedrijf en de veenderijen gingen de werkzaamheden in het café / hotel gewoon door. Hoewel het economisch een slechte tijd was werden er toch nog wel feestavonden gehouden. Dat de feestavonden niet altijd even feestelijk waren blijkt uit de volgende advertenties.

Alle gedane verkopen ten spijt kan hij het financieel niet bolwerken en wordt zijn bedrijf in november 1908  in opdracht van de ,,Neederlandsche Hypotheekbank” gevestigd te Veendam, te koop aangeboden.

Naar alle waarschijnlijkheid was het hotel toen al gesloten want op een aantekening van de verleende vergunning staat het volgende:

Bij besluit van Burgemeester en Wethouders van Emmen d.d. 13 april 1909 is op verzoek van den belanghebbende overeenkomstig art. 25 der Drankwet beschikt, dat nevenstaande vergunning met ingang van 1 mei 1909 niet meer zal gelden voor de daarin vermelde localiteiten, maar voor de noordelijke voorzaal ter grootte van 44.58 m² van het perceel wijk GA no. 63 te Erica, thans bewoond door Jisse Hof.

Bovenstaande hield in dat in het etablissement van Jisse Hof op naam van Hofhuis sterke drank geschonken mocht worden. Het pand van Hof lag bij de brug over de Hoogeveense vaart. Voor dit pand was enige tijd het keerpunt van de tramlijn van DSM. Later werd de lijn doorgetrokken naar Klazienaveen.

Het pand van J. Hof (tegenwoordig “the Spot”)waarvan de vergunning op naam van J.W. Hofhuis stond.

Op 2 januari 1909 vind de definitieve verkoop plaats bij café Kooiker in Nieuw-Amsterdam. In totaal worden 23 kavels geveild. De winkel / boerderij wordt gekocht door Petrus Gerardus Bakker, vervener te Erica. De winkel is dan niet meer als zodanig intact want de winkelopstand wordt later separaat verkocht.

Het hotel met tuin wordt gekocht door Broer Vos vervener te Nieuw- Amsterdam. De aanwezige gasleidingen en ketel moeten worden overgenomen voor driehonderd gulden (ƒ 300, -)

Opmerkelijk is dat de zoon van Hofhuis, Pierre, twee veenplaatsen koopt, tezamen groot twee hectaren zesenvijftig aren zeventig centiaren. Hij was pas 21 jaar en zonder beroep. De koopprijs was ƒ 900,-.  Deze percelen lagen bij de hoek Ensingswijk/Strengdijk.

Zoals zo vaak doen er nu ook allerlei geruchten de ronde. Op 16 januari 1909 verschijnt in het Nieuwsblad van het Noorden onderstaande advertentie.

In de Provinciale Drentse en Asser Courant staat echter twee dagen later dat dit bericht uit de lucht gegrepen is. Geruchten en veronderstellingen waren toen ook al aan de orde.

Drie weken later is er een openbare verkoop van de roerende goederen welke betrekking hadden op het boerenbedrijf.

Het gezin Hofhuis vertrekt op 5 april 1909 naar Egmond aan Zee. Zoon Pierre blijft echter nog ruim een jaar in Erica wonen (ik weet niet waar). Hij vertrekt op 21 februari 1910 naar Vlissingen.

De reden dat het gezin naar Egmond aan Zee verhuist is vermoedelijk dat de jongste dochter, Maria, zij is dan 23 jaar, daar een hotel kocht (hotel de Unie). Aangenomen mag worden dat haar vader bij deze transactie de nodige (financiële) inbreng heeft gehad. (Reg. Archief Alkmaar)

Het betreffende object was: Hotel, Café, pension en restaurant en had 7 kamers, 2 balkons en uitzicht op zee. Tevens werd ook een pension, Carolina, overgenomen.

Het gezin komt in eerste instantie niet in het hotel zelf te wonen maar betrekken het later wel. Maria zal beide zaken vast niet in haar eentje gerund hebben. Waarschijnlijk zullen vader en moeder, en wellicht de andere kinderen ook bijgesprongen hebben, hoewel de tweede dochter (Margaretha) trouwt op 3 juni 1909 en vertrekt daarna met haar man naar Ned. Indië. De ervaring opgedaan in Erica en dat van banketbakker in Amsterdam zal ze goed van pas zijn gekomen.

Hotel de Unie (foto: Egmondsche Bad-Bode 15-5-1916)

In mei 1909 komt bij de gemeente Emmen een brief binnen van de Rijksmunt uit Utrecht.

Het vreemde is dat het hier, dertien jaar na dato, een verzoek betreft om verbrand geld in te ruilen voor nieuw geld. Gevoelsmatig handelt men zoiets namelijk zo spoedig mogelijk af. Nog vreemder is dat in de brief gesproken wordt over de Weduwe T. Hofhuis. Haar man was nog in leven (en Jisse Hof dreef nog steeds zijn zaak op naam van J. W. Hofhuis).

Het antwoordt van de politie ambtenaar is ook al onduidelijk. Deze schrijft dat de brand niet bij T. Hofhuis was maar bij J.W. Hofhuis. Of er ook nieuw geld is verstrekt weet ik niet.

De familie Hofhuis doet het goed in Egmond aan Zee. Uit een artikel wat geplaatst is in “de Egmondsche Blad-Bode” uit 1911 staat een zeer lovend schrijven over pension Carolina, wat blijkbaar een aantal jaren geleden totaal verpauperd was maar door de fam. Hofhuis weer uit het slop gehaald is.

Het huis links midden met de luiken er voor is Pension Carolina 

(Coll. Stichting Historisch Egmond)

Op 8 mei 1917 trouwt Maria in Wijk aan Zee met de 34 jarige Petrus Mulder. Deze Petrus Mulder is directeur van een rubberfabriek. Vanaf dat moment wordt er een bedrijfsleider (gérant) aangesteld. Dit is H.B. (Hermannus Bernardus) Evers.

Detail: Deze Evers werd geboren in Erica (14-3-1893). Zijn vader was Jan Willem Evers en zijn moeder Theodora Berendsen. Het is zeer aannemelijk dat de familie Hofhuis de familie Evers uit het verleden heeft gekend. Hermannus Bernardus Evers kwam vanuit Tilburg, waar hij getrouwd was met C.A.P. Bax, naar Egmond aan Zee.

Advertentie van ,, de Unie” waarin vermeld wordt dat H.B. Evers de Gérant is.

(Gids voor Bad-Egmond en Heiloo ca. 1931, Coll. Stichting Historisch Egmond)

Werd het gezin in Erica getroffen door brand welke hun boerderij annex winkel verwoeste. In Egmond aan Zee werden ze ook niet gespaard voor ongelukken. In 1918 spoelden er na een storm 15 mijnen op het strand aan. Een van deze mijnen ontplofte en richtte veel schade aan bij hotel de Unie.

Johan Wilhelm Hofhuis overlijdt op 27-3-1919 in Egmond aan Zee. De vergunning waarop Jisse Hof zijn bedrijf runt wordt op 29 april 1919 overgeschreven op naam van de weduwe Hofhuis-Kern (met potlood is linksonder op de akte een aantekening gemaakt dat het pand werd bewoond door Jisse Hof, zie onder).

Nadat Evers bedrijfsleider van het Hotel de Unie was geworden verhuisd Maria naar Haarlem (ze blijft echter wel eigenaar van het hotel).

Theresia Kern overlijdt op 10 april 1934 in Alkmaar. Of de vergunning van de zaak van Jisse Hof toen nog op haar naam stond weet ik niet. Ze ligt samen met haar man begraven in Egmond aan Zee.

Op 28 maart 1935 wordt in een advertentie aangekondigd dat hotel “de Unie” te koop wordt aangeboden (pension Carolina was toen al verkocht). Eigenaresse is Mevrouw Mulder-Hofhuis en het pand wordt bewoond door H.B. Evers.

Een jaar later staat er nog een artikel in de krant dat er problemen zijn m.b.t. de overschrijving van de vergunning, welke op naam staat van Mevr. Hofhuis, naar H.B. Evers.

In de tweede wereldoorlog is het pand met de grond gelijk gemaakt voor de verdedigingslinie “Atlantikwal“.

Tja, deel 3  vertelt ons weer heel veel over de Familie Hofhuis en aanverwanten. Echter dit keer over een periode waarin ze wel het nodige onroerend goed op Erica en omstreken bezaten maar lijfelijk hun heil zochten in het “westen des Lands”.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ 3 = negen

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.