De kasteleins tegenover de R. K. Kerk op Erica (deel 1)

Geplaatst op 17-06-19 door Gerhard Vedder

Naar aanleiding van  een tweetal foto’s dook ons HKE Kringlid Henk Sijbom in de geschiedenis van “Hotel Hofhuis”. En van het een kwam het ander.

Henk schreef de resultaten van zijn speurwerk in een viertal verhalen die de een na de ander werden geplaatst in “De Kroniek”, het lijfblad van de Historische Vereniging Zuidoost Drenthe.

Omdat niet iedereen op Erica en Omstreken geabonneerd is op “De Kroniek” gaan we de komende maanden de verhalen van Henk ook nog eens via de HKE Facebook pagina en website met u delen. En natuurlijk hopen wij dat u geniet van de dit mooie stukje Ericase geschiedenis rond “Hotel Hofhuis.”

Henk begint zijn verhaal met de vaststelling dat “Hotel Hofhuis” niet altijd “Hotel Hofhuis” was. Want de meest bekende foto van dit hotel is een afbeelding gemaakt aan de voorkant met een aantal personen daarop afgebeeld en boven de deur staat Hotel Hofhuis. Er is echter ook een bijna gelijke foto maar daarop staat boven de deur Hotel Brinker. Na enig speurwerk bleek dat het om hetzelfde hotel ging. Nieuwsgierig geworden is Henk in de geschiedenis van het etablissement gedoken en kwam er achter dat er meerdere uitbaters op dezelfde plek gewoond hebben. Van alle personen heeft hij geprobeerd te achterhalen waar ze vandaan kwamen, wat voor werk ze voor- en nadien deden. Wat waren dit voor mensen, gelukzoekers, avonturiers, zakenmensen, hardwerkende arbeiders?

Woonden ze op Erica of kwamen ze van elders, en waar gingen ze later heen. Over de een was veel meer te vertellen dan over een ander. Veel namen komen we nu nog terug in deze omgeving en zo wordt er ook nog een stukje geschiedenis over Erica en omstreken geschreven.

Alles heeft hij met vele uren speurwerk in de archieven zo nauwkeurig mogelijk onderzocht en Henk staat, nog steeds, open voor aanvullingen.

Afijn, hier trek ik mij even terug en vanaf nu laten we dus Henk aan het woord.

En Henk begint met Albert Plas.

Albert Plas, is op 11 december 1822 geboren in Laar (D), hij trouwde met Theresia Ossege die op 24 augustus 1830 ook in Laar (D) was geboren. Hun Huwelijk was op 22-april 1856 in Laar. Albert was van beroep akkerbouwer.

Het echtpaar komt op 1 januari 1862 in Nieuw-Schoonebeek te wonen bij de fam. Jan Hendrik Holtershinken. Hun adres was: Nieuw Schoonebeek gem. Dalen no. 53.

Dit huis stond ca. 200 meter buiten de huidige bebouwde kom (richting Schoonebeek). De Holtershinken hadden blijkbaar ruimte genoeg om een kamer te verhuren want nadat het gezin Plas was vertrokken, op 19 april 1865 naar Erica, kwam er weer een ander gezin te wonen.

Op 1 mei 1865 word het echtpaar Plas in de gemeente Emmen (Erica ) ingeschreven. Albert zijn beroep is dan arbeider. Albert koopt 3 percelen  grond (totaal 1Ha, 53 are en 50 centiare)aan de weg van Zuid-Barge naar de Streng en Beekvenen. Deze weg was een zandweg en een uitloper van de Hondsrug (de latere kerkweg). Iets ten noorden van zijn huis was een aftakking richting Schoonebeek (de latere Havenstraat). Het dorp Erica bestaat officieel sinds 1863 en op het moment dat Albert zich daar vestigde was het op een paar boerderijtjes na nog veel woeste grond. Hij zet er een huis neer met daarin ook een vergunning om sterke drank te schenken, daarbij is hij ook nog logementhouder. Hij kon sterke drank schenken omdat de drankwet pas in 1881 in ging.

Wellicht had hij een vooruitziende blik want in 1866 wordt er besloten om in Erica een katholieke kerk te bouwen en wel tegenover het huis van Albert. Overigens was de naam Erica nog niet ingeburgerd, want in een advertentie voor de aanbesteding van de kerk wordt gesproken over: “Het bouwen eener R-C kerk met Toren en Pastorij in de gemeente Emmen, Provincie Drenthe, aan den weg van Noord- en Zuid Barge naar de Streng en Beekvenen, op zoogenaamd Nieuw-Amsterdam”. De katholieke parochie kreeg ook de naam Parochie Nieuw-Amsterdam. De bestektekeningen lagen o.a. ter inzage bij logementhouder Plas tegenover de beoogde bouwplaats. Dit zal Albert ongetwijfeld omzet opgeleverd hebben van de aannemers welke belangstelling voor de bouw hadden. Ook tijdens de bouw van de kerk zal er vast na werktijd wel eens opgestoken zijn door de bouwvakkers.

In april 1867 is er een openbare verkoping van 33 huisplaatsen gelegen tegenover de nieuwe katholieke kerk in Erica, Albert krijgt dus buren. Een kaartje met de ligging van de percelen ligt ter inzage bij “den tapper Plas”. Veel van de kopers waren boekweitboeren. Enkele veenbazen kochten meerdere huisplaatsen, kennelijk om door te verkopen of te verhuren. Klaas Ensink koopt namens Albert Plas drie percelen waar van er één grenst aan de Torenweg (de latere Kerklaan). Totale koopsom ƒ 473,-

Hij was niet alleen kastelein maar had daarnaast ook nog een akkerbouw bedrijfje en was ook boekweitboer, want hij huurt van de Markegenoten van Noord- en Zuidbarge een stuk boekweitveen. Op 22 augustus 1870 wordt bij notaris Oosting in Emmen een acte opgemaakt waaruit blijk dat A. Plas ƒ 2000,00 gulden leent van enkele boeren uit Noord- en Zuidbarge en Westenesch (waaronder ook Klaas Ensink). Aangenomen mag worden dat dit bedrag gebruikt wordt om zijn logement uit te breiden. Als onderpand geeft hij de eerst gekochte 3 percelen op. Op 26 oktober 1875 is er bij hem in de zaak de verpachting van boekweitveen. Het gaat hier om een vijftal veenplaatsen in het Oosterveen der Marke van Noord- en Zuidbarge.

Wat overnachtingen betreft zal het in het begin wel niet al te druk zijn geweest. Dit was wellicht later beter toen de vervening goed op gang kwam. Ook werd er iets ten noorden van zijn bedrijf in 1875 een steenbakkerij opgericht door Thomas Aukes, de leemputten hiervoor lagen iets ten noorden van het logement. Werknemers hiervan zullen allicht zijn etablissement bezocht hebben en ook handelsreiziger welke de steenbakkerij bezochten. Wel was er een enkele keer een gast voor langere tijd. Op 12 juli 1878 kwam Bernardus Hendrikus Brinker bij hem wonen. Hij was onderbaas bij  vervener Hofhuis (Hofhuis werd later de zwager van Brinker). Brinker bleef er 8 maanden wonen.

Teresia en Albert hadden geen kinderen en bij testament van 3 september 1880 wordt bepaald dat Albert‘s zwager Johannes Ossege, landbouwer te Laar Amt Neuenhaus Koninkrijk Pruisen de erfgenaam is.

Blijkbaar waren de inkomsten van het café niet voldoende om het geheel rendabel te houden want op 27 april 1881 wordt de inboedel (of een gedeelte daarvan) plus nog enkele landbouwwerktuigen  van zijn bedrijf door deurwaarder R. Hars te koop aangeboden.

Het logement blijft echter wel zijn eigendom en het wordt verhuurd aan Jan Kamerling.

Albert kwam te wonen op de hoek van de Veenschapsweg/Havenstraat waar later Jans van Os (beelden Jans) woonde. Volgens overlevering had Albert hier een stille kroeg.

In april 1892 wordt er een proces-verbaal tegen hem opgemaakt wegens diefstal van hout dat eigendom was van H. Brinks.

Op 10 augustus 1893 verkoopt hij zijn zaak voor ƒ 4000,00 aan Matteheus Schrootte.

Albert Plas overlijdt op 10 augustus 1910 en zijn vrouw op 29 oktober 1910.

Het etablissement werd dus nu verhuurd aan ene Jan Kamerling. Wie was nu deze Jan Kamerling?

Jan Kamerling was van beroep bakker. Hij is geboren op 13 augustus 1842 in Assen en woonachtig in Schoonoord. Hij trouwt op 27 november 1874 in Rolde met Jantje Dulman, die op 30 augustus 1848 is geboren in Grolloo.

Ze komen bij Jan‘s vader Roelof (ook broodbakker) in te wonen in Schoonoord op No. 47 later op No. 56. Op 7 januari 1876 wordt er een zoon geboren welke echter na ongeveer 1,5 jaar overlijdt.

Op 16 januari 1878 wordt dochter Roelofje geboren en op 3 mei 1880 wordt in Erica een zoon, Roelof geboren.

Dit is een beetje vreemd omdat het gezin ingeschreven staat in de gemeente Sleen (in bepaalde kringen was het gebruikelijk dat de vrouw elders beviel). Bij de aangifte van deze zoon is het beroep van Jan, Bakker.

(beide foto’s zijn gemaakt toen het echtpaar al was vertrokken uit Erica)

Op 16 maart 1881 worden ze uitgeschreven in Sleen en vertrekt Jan met vrouw, kinderen en zijn vader naar de gemeente Emmen waar ze op 21 maart 1881 worden ingeschreven en uitbater worden in het logement van Plas.

Vermoedelijk bleef Jan, al dan niet in loondienst, bakker en runde zijn vader, Roelof, het café. Volgens een aantekening  van verleende vergunningen uit de gemeente Emmen staat de vergunning op naam van J. Kamerling.

Op 29 augustus 1881 vind er bij Kastelein Kamerling, voorheen Plas, een publieke  verkoping plaats door deurwaarder Nuver.

Te koop: de te velde staande boekweit in het Oosterveen der Marke van Noord- en Zuidbarge op diverse veenplaatsen. Dit ten verzoeke van de heeren Bruins Slot en Notaris Carsten te Hoogeveen ten laste van nalatige huurders.

Op 10 februari 1882 is er bij R. Kamerling een uitvoering het gezelschap ,,Vooruit” uit Erica. Blijkbaar is er een podium in de zaak.

Gespeeld wordt Goede Harten, een toneelspel in 2 bedrijven en Weg met de emancipatie, blijspel in 2 bedrijven.

De aanvang is half zeven, het is dus zaak om op tijd te eten.

Op 24 maart 1882 word in Erica een zoon, Jan, geboren. Vader Jan geeft als zijn beroep bakker op.

Erica was ook toen al zeer cultuur-minnend want op 26 maart 1883 geeft het gezelschap ,,Vooruit” weer een voorstelling. In de aangekondigde advertentie staat nu dat het bij J. Kamerling is. Blijkbaar runt Jan nu de zaak. Echter in hetzelfde jaar verhuist het gezin naar Compascuum. De volgende uitbater van de zaak is Hendrikus Hulsman.

Het gezin van Jan Kamerling woont vervolgens op diverse plaatsen in Zuidoost  Drenthe o.a. Weerdinge, Roswinkel, Compascuum. Na al deze omzwervingen in de gemeente verhuist het gezin uiteindelijk in 1905 naar Zwartemeer waar ze vlak bij de grens een bakkerij en slijterij beginnen.

In 1907 kopen ze een eindje verderop een pand. Hier begon de familie Kamerling in het groot. Kruidenier, ijzerwaren, kachels, meubels en huishoudelijke artikelen. Ook had men hier een café. In 1911 werd er begonnen met het graven van een kanaal naast het pand en dit kanaal werd de Kamerlingswijk genoemd.

Afijn, terug naar Erica

Op 11 april 1883 vestigt zich hier in het Hotel Hofhuis de 50 jarige Hendrikus Hulsman met zijn vrouw Karolina Agterik. Ze zijn afkomstig uit Oldebroek samen met 3 van hun 4 kinderen. Wat hem beweegt om kastelein in Erica te worden is niet duidelijk. Wellicht op aanraden van zijn vader welke veenbaas was in Voskuil (een gehucht bij Oldebroek). Pa Hulsman heeft zijn zoon misschien wel verteld dat er aan jenever meer te verdienen was als in de turf.

Hendrikus was in Oldebroek landbouwer maar in een advertentie in de Provinciale Overijselsche en Zwolsche Courant staat op 26 februari 1883 zijn bedrijf te koop. Op 6 maart meldt de notaris echter dat de verkoop niet door gaat. Misschien is de verkoop onderhands geschied.

De vergunning voor het schenken van sterke drank in het klein wordt hem verleend op 15 april. Ook in Erica is Hendrikus naast kastelein ook landbouwer. In de aan Hendrik Hulsman verleende vergunning staat:

 Aan Hendrikus Hulsman, volgnummer 57, is vergunning verleend den 15 april 1883, aangaande den 15 april 1883.

“Tot dien tijd werd in hetzelfde perceel den kleinhandel in sterken drank uitgeoefend door Jan Kamerling”.

De oudste zoon komt op 8 oktober 1883 over vanuit Zwollekerspel maar de volgende dag komt hij al te overlijden, twintig jaar jong.

Het gezin verblijft maar 1,5 jaar in Erica. Ze zullen vast niet de mooiste herinneringen aan hun verblijf hier hebben gehad want  4 maanden na het overlijden van hun zoon overlijd hun dochter op 9 jarige leeftijd (in Oldebroek waren ook al twee kinderen overleden).

Op 17 november 1884 vertrekt het gezin weer naar Zwollekerspel.

Op 12 juni 1908 overlijd Hendrikus Hulsman in Zwolle aan ,,het achterom”, wat destijds, volgens zeggen, geen geweldige buurt was.

De volgende uitbater van Hotel (logement) Hofhuis was Willem Wessel.

Willem Wessel werd geboren op 11 maart 1833 in Coevorden in “agter de kerkstraat no. 110”. Zijn vader is de uit Duitsland afkomstige Eberhard Heinrich Adolf Wessel, zijn moeder Gezina Arents. Als Willem 8 jaar is overlijd zijn moeder. Zijn vader hertrouwt (met Berendina Weelink) en Willem krijgt nog twee halfzusters; Helena Berendina en Johanna Margaretha. Op het certificaat van de Nationale Militie staat dat Willem van beroep wever was.

Hij trouwt op 31 oktober 1857 in Coevorden met Maria Johanna Hendrika Turien.

Na hun huwelijk gaan Willem en Maria J.H. in de woning van Maria wonen die “agter de Sallandse straat no. 143” in Coevorden staat. In Coevorden worden drie kinderen geboren: Adolf, Hendrika Gesina en Gesina Berendina. Bij de aangifte van deze kinderen geeft Willem als beroep arbeider op. Na alle waarschijnlijkheid verrichte hij dus werkzaamheden bij de boeren in Coevorden of Dalen.

In 1863 verhuizen ze naar de gemeente Emmen en komen in Nieuw-Amsterdam (in het Amsterdamsche veld) te wonen.

Volgens de “Parochiale Memoraele Erica” van de R.K. Kerk in staat dat ze in 1872 “tusschen de kanalen” wonen (dit zullen de Hoogeveensche vaart en het Dommerskanaal zijn geweest).

In 1872 wordt er in Erica nog een kind geboren, Johanna.  Uit een notariële acte uit oktober 1866 blijkt dat hij op Erica voor de duur van 10 jaar een stuk veen huurt om boekweit op te verbouwen.

In januari 1885 staat bij de ingekomen brieven van de gemeente Emmen m.b.t. verleende vergunningen, dat de vergunning met no. 66 van Hulsman is overgegaan naar W. Wessel.

Of Willem zelf ook in het logement woonde weet ik niet zeker. Kadestraal stond het logement op de nummers G 583,584 en 585. Op de afgegeven vergunning staat Erica 586.

De verleende vergunning (volgno. 66) is overgegaan van W. Hulsman naar W. Wessel

In september 1885 staat er in de courant dat er schutstallen bij logementhouder Wessel aangewezen worden.

Over het algemeen werden schutstallen gebruikt voor de scheepsjagers maar het logement lag echter niet direct aan een kanaal waar een jaagpad langs liep.

Willem is tot ca. 1891 werkzaam geweest in het logement. Zijn opvolger was W. Boersma.

Na logementhouder te zijn geweest heeft Willem het werk op zijn eigen akkerbouwbedrijfje weer opgepakt (aannemelijk is het dat hij tijdens zijn logement-houderschap hier ook wel werkzaamheden uitoefende). Hij woonde later aan de kerkweg (kerkzijde) nabij de kruising Havenstraat/Kerkweg.

Op 26 mei 1891 komt er bij de gemeente Emmen een brief van de Commissaris des Konings binnen met de mededeling dat er geen bezwaren zijn om een bewijs van Nederlanderschap aan Willem Wessel te verstrekken. Dit verzoek was door zijn vader gedaan.

Vermoedelijk is dit verkeerd geïnterpreteerd of een ambtelijke dwaling want Willem zijn vader was al in 1864 overleden. De aanvraag zal dus wel door een ander gedaan zijn. Waarvoor hij dit nodig had is mij niet helemaal duidelijk.

Willem schijnt een vrij groot persoon geweest te zijn , want in het boek “100 jaar Erica” wordt gesproken over “lange Willem Wessel”. Hij overlijdt op 28 februari 1904 te Erica.

Zijn vrouw M. J. H. Turien woont daarna nog een tijdje alleen in een huisje aan de Ericase straat (op de plek waar later het huisje stond met het opschrift “Avondrust” gebouwd werd).

Later gaat ze bij haar schoonzoon (J. H. Bakker, getrouwd met Johanna) inwonen welke een boerderij had aan de Ericasestraat. Blijkbaar had ze geld gespaard want in een eigenhandig geschreven verklaring staat dat zij aan J.H. Brinker, A. Wessel en M. Prinsen elk ƒ 600,- gulden heeft gegeven.

J.H. Bakker krijgt ƒ800,-, dit vermoedelijk omdat zij bij hem tot haar dood heeft gewoond. Zij overlijdt op 16 augustus 1921 te Erica.

Op 13 oktober 1866 komt Willem Boersma, die op 30 mei 1863 in Appelscha was geboren, samen met zijn ouders te wonen in Nieuw-Amsterdam.

Als hij negen jaar is overlijd zijn vader. Later trouwt zijn moeder met B. A. Hoogenberg, weduwnaar van Trijntje Brandsma.

Willem trouwt zelf op 21 december 1888 in Emmen met Katharina Smidt. Katharina is dan 23 jaar en is geboren in Odoorn.

Willem zijn beroep is arbeider wat destijds een nogal ruim begrip was. Na hun trouwen gaat het echtpaar wonen in Nieuw-Amsterdam waar in 1890 hun eerste kind wordt geboren.

Rond 1891 wordt hij de uitbater van het logement. Ook is er een brand in 1891 “in de vergunning”, maar de schade hiervan kan ik niet achterhalen.

In 1893 en 1894 worden in het gezin kinderen geboren waarvan de geboorteplaats Erica is. Na twee jaar daar werkzaam geweest te zijn verkoopt Albert Plas, die dan nog altijd de eigenaar van het pand is, het hotel aan M. Schroote.

Deze Schroote neemt ook de vergunning van hem over. Of Willem hierna nog bij Schroote in dienst was is onduidelijk.

Enkele jaren later heeft hij wel weer een vergunning en woont hij aan de Hoogeveense vaart Z.Z. tussen de Kalff- en de Heemskerk-sluis Het huis waar hij woont is een burgerhuis waarin een “Bierhalle met waterdichte kelder” is te vinden.

Ook bevind zich er nog een stuk veen achter het pand wat nog ontgonnen moet worden. Het echtpaar krijgt daarna nog vijf kinderen en als beroep geeft Willem vervolgens op: herbergier, kastelein, tapper en bierhandelaar.

De geboorteplaatsen van de kinderen zijn afwisselend Erica en Nieuw-Amsterdam*.

*Rond die tijd gaven bewoners van de vaart Z.Z. in Erica wel vaker aan dat hun woonplaats Nieuw- Amsterdam was.

Dat het beroep van kastelein niet altijd even gemakkelijk was blijkt uit een krantenartikel uit 1898 waarin vermeld wordt dat er meerdere vechtpartijen op dezelfde avond waren. Opmerkelijk is dat Willem gezien zijn beroep (kastelein/bierhandelaar) niet kon lezen of schrijven. In 1901 verkoopt hij zijn zaak aan Willem Westera, vervener te Erica.

Willem verhuist hierna naar Horst (L). Hier werkte hij als veenarbeider. In Horst heeft hij maar heel kort gewoond want op 5 november 1901 verhuist hij naar Helenaveen (Deurne-N. Br.) met zijn gezin van acht kinderen. Het negende kind werd in Deurne-Helenaveen geboren. Hij werkte in Helenaveen als veenarbeider, naar alle waarschijnlijkheid in dienst van de Maatschappij Helenaveen. Hij verbleef hier slechts een jaar. Op 8 oktober 1902 vertrekt hij met zijn gezin naar Ambt Hardenberg (Ov.).

In Ambt-Hardenberg (Slagharen) woont het gezin op een stoomschip. Op 15 maart 1903 vertrekken ze alweer uit de gemeente en verhuizen ze naar Almelo. Willem zijn beroep is dan dagloner/grondwerker. Willem overlijdt op 22 december 1939 in Almelo. Zijn vrouw Katharina Smidt overlijdt op 23 november 1947 in Deventer  maar haar woonplaats was Almelo (in Deventer woonde hun zoon Berend)

Dit huis staat op de plaats waar Willem Boersma zijn zaak had.

Tot zover deel 1 en de geschiedenis van Hotel Hofhuis, zijn eigenaren en uitbaters. 

Zijn we nieuwsgierig geworden en willen we weten hoe het verder gaat? Dan moeten we even wachten op deel 2. En houd daarvoor de aankondiging op de HKE Facebook pagina in de gaten.

2 reacties op “De kasteleins tegenover de R. K. Kerk op Erica (deel 1)”

  1. Thea schreef:

    Geweldig leuk om te lezen!

  2. Riky van Midden Engbers. schreef:

    Interessant om zo wat meer over het ontstaan van Erica te lezen, de plaats waar ik geboren ben en mijn roots liggen. Nu weet ik ook waar Erica lekker water vandaan komt.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ 3 = elf

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.