De Kaartlegster van Achter op Erica en Halloween.

Geplaatst op 17-10-22 door Gerhard Vedder

Nu de dagen weer snel korter worden en ook op Erica de soms gure herfst weer voor de deur staat wil ik nog een keer met u, gewaardeerde lezer, terug naar de tijd van de evangelist Jonker hier op Erica.

De evangelist, Wilhelm Jonker, woonde en werkte van 1885 tot 1891 op Erica en legde in 1923 zijn ervaringen op Erica en elders in Drenthe vast in het boek “Het Morgenrood in de Drentsche Venen”. En dat er toen op Erica al heel wat te doen was lezen we onder andere in Hoofdstuk XXVI (26).

Juist ja; een “kaartlegster”.

Er was te Erica ook een kaartlegster. Zij woonde in een keet aan den Ericaschenweg; alles was er kraakzindelijk. Aole, zoo heette zij. Ze was getrouwd met Hendrik.

Haar man was arbeider en zeer rechtzinnig in de leer. Hij vond het werk van zijn vrouw dan ook bepaald uit den booze en zeide meer dan eens, dat Gods zegen er niet op kon rusten. Maar met dat al werkte Hendrik bitter weinig; immers zijn vrouw verdiende wel zooveel, dat hij het toch eigenlijk dwaasheid vond om zich moe te werken.

„Als Hendrik flink werken wil, leg ik geen kaart meer”, verzekerde Aole meer dan eens, en ik geloofde dan, dat Hendrik bij voorkeur niet werken wilde en zijn vrouw de kaarten niet vaarwel zeggen zou.

Aole met haar “groote klapmand”

Een groot gedeelte van den dag liep de kaartlegster langs den weg, met een groote klapmand aan den arm. Niet zonder reden ging zij er altijd op uit; het was er haar om te doen om het voornaamste nieuws uit den omtrek te vernemen en om achter familie- en andere geheimen te komen wat haar altijd goed te pas kwam. Zij wist wat een ander niet wist.

Aole (eigenlijk heette ze Aaltje) had een gezond verstand, was wel bespraakt en gevat. “Aal was zoo glad als een aal”: zei men op het dorp.

Daar was een tijd, waarin zij eenigszins onder den indruk van Gods Woord kwam en ik de stille hoop koesterde, dat zij een andere vrouw zou worden. Die hoop is verijdeld. Meer dan eens sprak ik met haar en spoorde haar aan, de kaarten vaarwel te zeggen, omdat zij wel wist, dat alles bedrog was, en zij het hoofd van zoo menig jongmensch op hol bracht. Ja, dat alles wist zij wel, maar de schoorsteen moest toch rooken en „zoo’n dubbeltje viel er zoo zoetjes in”. (voor de kleintjes onder ons; een dubbeltje was, toen we nog geen euro’s hadden, een 10 cent muntje)

“Een dubbeltje op zijn kant”. Tegenwoordig een uitdrukking die aangeeft dat iets maar net is goed gegaan. Vroeger, dus ook toen Jonker nog op Erica evangeliseerde, was het gebruikelijk om de uitdrukking te gebruiken als iets twijfelachtig was of dat de uitkomst van het toeval zou afhangen. Dus voor iets dat nog – in de toekomst – stond te gebeuren. 

Aal vroeg dus niet veel voor een consult, maar de vele dubbeltjes, die zij ontving, waren er oorzaak van, dat zij eigenlijk niet wist wat armoede was.

’s Zondags had zij het druk, veel drukker dan ’s avonds in de week.

’s Zondags stond het niet stil bij haar. Dan kwamen jongens en meisjes om „raad in duistere zaken” te vragen, en wat Aal zeide, werd ook geloofd.

Aal was, als het heel spannend was, ook „aan huis te ontbieden”.

Aol legt de kaarten tijdens een huisbezoek.

Aol en Hendrik hadden drie kinderen. De jongste, een zoon, was doofstom en ik heb mij het lot van dien knaap zeer aangetrokken. Ik heb hem wat onderwijs gegeven en ervoor gezorgd, dat hij een plaats kreeg op het doofstommeninstituut te Groningen. Daar is Aal altijd dankbaar voor geweest en ook de jongen, die nu in Emmen schoenmaker is, genoot mijn zorg.

Het Henri Daniel Guyot Instituut was het eerste Nederlandse doveninstituut. Het werd in 1790 opgericht op initiatief van de Groningse predikant Henri Daniel Guyot. Aol en Hendrik moesten eens weten dat in dit monumentale pand tegenwoordig de Rechtbank Noord – Nederland gevestigd is.

Op korten afstand van Aaltjes keet waren op een Zondagavond bij “knappe menschen” de ruiten ingeslagen. De moeder en dochter des huizes meenden zéker te weten, wie de dader was en gaven het geval aan. Het werd een rechtszaak, die helaas in beider nadeel  afliep; een ander was de dader en zoo werden moeder en dochter wegens een valsche verklaring veroordeeld.

Menige bladzijde zou over deze onverkwikkelijke geschiedenis kunnen geschreven worden. Men was algemeen begaan met het ongelukkige gezin. Wat anderen en ik in het belang van het gezin konden doen, werd gedaan, maar het mocht niet baten.

Nu was ik, om een couranten-term te gebruiken, “een goede bekende van de politie en de justitie”, maar gelukkig in den goeden zin van het woord.

De officier van justitie te Assen wilde meer van de zaak weten en droeg den majoor-brigadier van de Rijksveldwacht van Maaren op, de zaak bij vernieuwing nauwkeurig te onderzoeken en zich in de eerste plaats tot mij te wenden.

Toen deze zich met een schrijven van den officier „bij mij vervoegde, bespraken wij de zaak breedvoerig en gaf ik den majoor o.a. den raad eens met de kaartlegster te gaan praten, want ik vermoedde, dat zij meer van het geval wist. Deze raad werd opgevolgd; de majoor ging naar Aole en hartelijk lachende kwam hij terug.

Waarom, hij lachte? “Ik zal het u vertellen”.

In hoofdzaak deelde de majoor mij het volgende mede. Hij was bij de kaartlegster gekomen en had haar in naam van den officier van justitie gezegd, dat zij hem alles zou vertellen wat zij van het glazen-inwerpen wist. Nu kwam zij met het verhaal, dat op zekeren avond de moeder van den werkelijken dader bij haar was gekomen.

„Aole”, had Annigje gezegd, „Je moet me de kaart eens leggen, want ik ben zoo bang om het hart.”

Nu, dat kon wel, maar dan moest er volgens vaste gewoonte natuurlijk ook een borreltje gedronken worden, waartegen heelemaal geen bezwaar bestond. Toen geklonken en gedronken was, kwamen de kaarten voor den dag, die door elkaar geschud werden. Met een ernstig gezicht tuurde Aole, die al genoeg van de zaak gehoord had, op de voor haar liggende kaarten. „Ja Annigje”, zeide de kaartlegster, „De kaarten zeggen mij dat er een donkere wolk boven je huis hangt”. „Dat dacht ik wel”, zeide Annigje met een diepen zucht. „Maar”, vervolgde de kaartlegster, “Vertel nu eens in vertrouwen, Annigje, heeft jouw jongen niet de ruiten bij B, ingeslagen”.

Annigje schrok en zeide: „Maar Aole, je moet me niet verklappen, hoor: “Ja, mijn jongen heeft het gedaan en nu ben ik zoo bang, dat hij zitten moet.”

“Je verklappen, Annigje? Neen, nooit hoor; daar zullen we op drinken”. En toen het glaasje geledigd was, schudde Aole de kaarten en bekeek ze. „la, Annigje, deze kaart zegt, dat jouw jongen het gedaan heeft.”

Was het wonder, dat majoor van Maaren hartelijk lachte, toen hij iets van het boerenbedrog van de kaartlegster had gemerkt? De majoor ging op nader onderzoek uit en bracht verslag uit aan den officier van justitie. De zaak werd opnieuw behandeld. Het bleek, dat Annigje’s jongen de dader was en dat een ander bij het huis Van B. was gaan staan, toen de ruiten ingeslagen werden, om den schijn te geven, alsof hij de dader was en zoo de B’s een verkeerde verklaring te doen afleggen.

De majoor-brigadier van de Rijksveldwacht.

Intusschen: moeder en dochter werden veroordeeld. Maar hier zij dadelijk aan toegevoegd, dat het aan den officier van justitie was te danken, dat de straftijd belangrijk is verminderd  geworden.

Helaas, er waren twee gebroken levens meer in deze wereld, wat voor de daders geen bezwaar was, maar wat velen innig leed heeft gedaan. Men wist gelukkig nog wat medelijden was. In menig ruwen bolster zit toch nog een goede en blanke pit.

 

Hoe het verder met de kaartlegster Aole is gegaan?

De restanten van de veenkeet van Aole en Hendrik, daar aan de Ericasestraat.

Men toonde mij veel later de ruïne van haar keet, die de Ericase jongens en meiden boven haar hoofd hadden afgebroken.

Maar het belangrijkste is wel dat ik uit zeer betrouwbare bron weet dat, terwijl de evangelist Jonker voor velen al in de vergetelheid is opgegaan, de geest van Aole nog steeds op Erica rondwaart.

En dat niet alleen tijdens volle maan maar juist en vooral als de Activiteitencommissie van Ondernemersvereniging De Heidebloem weer iets voor de Ericase jeugd organiseert.

Want Aole verget niks, helemaol niks…

Dus voordat op 28 oktober a.s. de Ericase jeugd weer ons dorp “onveilig” maakt nog even voor- of nagenieten met het filmpje van 2021.

https://www.youtube.com/watch?v=ZkT9F3dsjqA&t=13s

 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


zeven + = 15

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.