De Groote Werkstaking

Geplaatst op 31-03-17 door Gerhard Vedder

Werk in het veenWe schrijven het jaar 1890 en het is in het voorjaar. In de venen van Zuidoost Drenthe gaat de winter samen met de periode van geen geld kunnen verdienen weer langzaam op haar retour. Het is de periode waarin het groen weer ontluikt, de zon het oppervlakte water laat verdampen en het werk in het veen weer een aanvang neemt. Op dat moment in de hele streek het enige werk voorhanden. Maar in 1890, dit jaar alweer 127 jaar geleden ging het toch een beetje anders.

Aan het begin van het veengraafseizoen (april-mei) legden arbeiders bij één of meer verveners het werk stil en eisten meer loon of betere arbeidsomstandigheden. Dergelijke kleinschalige  veenstakingen vonden wel vaker spontaan plaats. Niet gepland of georganiseerd door een vakbond. Meestal trad een lokale woordvoerder als leider op.

De stakingen werden in Zuidoost-Drenthe geïmporteerd door de radicale Friese seizoenarbeiders, die veelal in de socialist F. Domela Nieuwenhuis hun politiek leider zagen. De arbeiders trokken demonstrerend door de dorpen en her en der werden de ruiten bij verveners ingegooid. Aanvankelijk kregen de stakers enige toezeggingen, maar die werden later teruggedraaid. Bij stakingen greep de marechaussee die gelegerd was te Klazienaveen soms hardhandig in. Maar de stakers waren evenmin zachtzinnig ten aanzien van de werkwilligen.

Klazienaveen_marechaussee-kazernekazerne

Vaak werd een bemiddelaar door de Rijksoverheid aangesteld, maar dat was niet altijd het geval. Sommige verveners stelden zich keihard op. Zo stond Veldkamp uit Erica bij de vakbonden bekend om zijn halsstarrige houding.

Om nog meer inzicht te krijgen in deze stakingen in de venen gaan we weer eens te rade bij het boek “Morgenrood in de Drentsche Venen” van de Evangelist W. Jonker.

En wel heel specifiek het hoofdstuk: XXVIII. DE GROOTE WERKSTAKING

 

Het was in het voorjaar van 1890. De graaftijd was goed en wel begonnen. Op zekeren morgen stond ik om 7 ure in den tuin, toen ik telkens, bij tusschenpoozen, in den omtrek op een hoorn hoorde blazen. Zulks had ik niet eerder gehoord. Er werd, zooais later bleek, op een koehoorn en ook op een lampenglas geblazen. Het blazen hield aan en weldra zag ik, dat in den omtrek van de brug zich meer menschen bewogen dan gewoonlijk, waarom ik besloot er heen te gaan en te vernemen wat er gaande was. Jan Witvoet stond op de brug, en hem vragende wat het blazen op den hoorn en die menigte menschen beteekende, vertelde hij, dat men wilde „bollejagen” (werkstaken). Dit zou dan de eerste werkstaking zijn in deze uitgestrekte veenkolonie. Hij vertelde verder, dat het den vorigen avond te Nieuw-Amsterdam buitengewoon rumoerig was geweest; bij onderscheidene werkgevers, O.a. de heeren Van Holthe tot Echten en Dommers, en bij onderbazen waren ruiten ingeworpen en enkele winkels waren zoo goed als geplunderd.

Dat was een bedenkelijk verschijnsel en ik vreesde het ergste, temeer daar besloten was, dat alle arbeiders van Nieuw-Amsterdam naar Erica en verder zouden trekken om allen arbeid te beletten. Het blazen op een hoorn was het teeken, dat men staken moest.

‘k Begreep, dat hier iets te doen was, waarom ik de menschen aanspoorde zich vooral toch rustig te houden en geen baldadigheden te doen. lk stond eenigszins sterk, omdat ik de gevoelens van den burgemeester kende, die nog kort te voren met mij gesproken had over al de ellende van de gedwongen winkelnering: ik kon dus tegen de menschen zeggen, dat, hield men de zich kalm, men in menig opzicht op des burgemeesters steun kon rekenen. En veelen beloofden rustig te blijven.

Met het oog op wat den vorigen avond te Nieuw Amsterdam was voorgevallen, gevoelden de winkeliers en herbergiers zich verre van gerust. Een paar waren reeds bezig hun uitstalkasten leeg te halen en zooveel mogelijk de winkelgoederen op te bergen, wat ik hun ontraadde, er op wijzende, dat de arbeiders den indruk moesten hebben, dat men hen vertrouwde. Voorts gaf ik den raad in geen geval, noch tegen betaling noch kosteloos, sterken drank te schenken. In het uiterste geval moest men stoet en spek geven, waar het te Nieuw-Amsterdam ook om te doen was geweest. De gegeven raad werd opgevolgd en er is dien dag heel wat stoet en spek kosteloos de winkels uitgegaan. doch geen jenever.

WerkstakingOm 10 uur kwamen een 1200 stakende turfgravers van Nieuw-Amsterdam. Een paar harmonicaspelers, wier spel geaccompagneerd werd door het slaan op blikken trommels, benevens een paar mannen, die op koehoorn en lampenglas bliezen, vergezelden den optocht. Aan het hoofd liep een vaandeldrager, met een roode zakdoek aan een stok gebonden. lk wachtte den troep af, die weldra de brug genaderd was, waar ik een gesprek aanknoopte met den man met het roode doek. Op de vraag waarom men een roode vlag bij den optocht had, werd geantwoord, dat er toch een vlag bij moest. „Maar waarom dan een roode?” Ja, dat wist men eigenlijk niet; men had wel eens gelezen van stakers met een roode vlag. Maar sprak die roode vlag niet van oproer en verzet? Daar wist men niets van. Zoo ontstond er een gesprek met de voormannen, die gelukkig vatbaar waren voor een goed woord en mij geloofden, toen ik verzekerde, dat, hielden zij zich rustig, burgemeester Tymes zeker in hun belang zou werken, natuurlijk met inachtneming van de belangen der werkgevers. Op mijn vraag 0f het niet beter zou wezen een Nederlandsche vlag te nemen, werd geantwoord, dat niemand er een had willen geven. Maar als ik dan eens voor een zorgde? Graag! Ik verzocht een bevrienden winkelier zijn vlag te willen leenen. Daar was eenig bezwaar tegen omdat het een mooie nieuwe vlag was. maar toen ik er borg voor stond, dat de vlag ‘s avonds ongeschonden zou worden terugbezorgd, werd aan het verzoek voldaan en ‘s avonds kwam de vlag ongeschonden terug Ook ik had den vaandeldrager gezegd: „Gerrit, ik heb beloofd dat de vlag heel en gaaf terugbezorgd zal worden, en nu reken ik op je.”

„Daar kan u zeker van zijn” zeide Gerrit, die er prijs op stelde, dat ik hem mijn volle

vertrouwen schonk en blijde was met zoo’n mooie vlag. In deze heele werkstaking toonde ik steeds de menschen te vertrouwen en ik kwam niet bedrogen uit.

Weldra wapperde de vlag, die ik zelf aan den stok bond, boven de menigte, die haar begroette met een luid „Oranje boven!” en onder het zingen van ons volkslied trok men verder. Het roode doek werd in de vaart geworpen.

Nadat alle veenderijen waren afgeloopen en alle arbeid was neergelegd, ging het in optocht naar Nieuw-Amsterdam terug, waar om 1 uur een vergadering van werkgevers en vertegenwoordigers van de arbeiders zou gehouden worden in tegenwoordigheid van den burgemeester.

De arbeiders waren nuchter. Toen men Erica verliet, wilde Koop met alle geweld in een winkel een borrel drinken. „Doe dat niet, Koop”, zeide ik, „want het kon wel eens wezen, dat ge er later spijt van hadt. Maar Koop was niet te overtuigen, totdat „Roô Berend” kwam, die merkte dat ik met Koop sprak. Ieder wist wie Roô Berend was, dien ik beschouwde als de man, die mij in deze kon helpen.

“Wat is hier te doen, meneer?” vroeg hij.

„Berend, ik heb je hulp noodig.”

“Wat wilde u dan?”

“Wel, Berend, je bent er toch zeker ook tegen, dat er vandaag gedronken wordt?”

„Natuurlijk.”

„En nu wil Koop met alle geweld een borrel drinken.”

„Neen, Koop, vandaag niet, hoor: kom ga maar met mij meê.”

De groote, sterke Koop ging met den kleineren Berend mee. Helaas, te Nieuw-Amsterdam heeft hij dien dag een flesch jenever weggenomen en dat kostte hem, zooals zijn vader, de oude Folkert, mij later vertelde, „een half jaar in het kabinet.”

En Berend? Op den dag dronk hij niet, maar ‘s avonds…Onbekende- marechausse_brigade

Om 1 uur werd de vergadering van werkgevers, afgevaardigden van de arbeiders en den burgemeester gehouden. Men kon echter niet tot overeenstemming komen. De groote menigte, die buiten stond te wachten, werd hoe langer hoe ongeduldiger, en ziende dat men niet vorderde, scheelde het weinig of het koffiehuis waar men vergaderde, werd bestormd. De werkgevers, die wisten dat de burgemeester naar Assen had geseind om militaire hulp, wilden van geen toegeven weten, maar toen men niet langer durfde weigeren en te vergeefs op de militairen gewacht werd, werd ten slotte, om erger te voorkomen, toegegeven, wat een gejuich onder het volk deed opgaan.

lk heb het altijd betreurd, dat, nadat de militaire macht gekomen was, het gegeven woord tegenover de arbeiders niet is gehouden. Dit moest het vertrouwen wel schokken.

Toen nu de eischen waren ingewilligd trok de menigte, weer met de Nederlandsche vlag voorop, ordelijk af, maar waren zij goed en wel in beweging of daar werd uit de richting van Veenoord de trommelslag gehoord, het teeken, dat de militairen in aantocht waren. Als een electrische schok ging dit door de gelederen; men wilde terug om de militairen te zien.

‘k Had mij achter de menigte aangesloten en vreesde voor erger dingen als de arbeiders met de soldaten in aanraking zouden komen, te meer daar enkelen niet meer geheel nuchter waren. Een onderbaas stond voor zijn woning en ik verzocht hem om met mij de menschen te bewegen hun tocht in de richting van Erica voort te zetten. Misschien vreesde de onderbaas als zoovele anderen om met het volk In aanraking te komen, althans hij zeide er geen zin in te hebben en te gelooven, dat het. toch niet helpen zou. Hij ging zijn woning binnen. Wat nu te doen? Een aanraking met de militairen moest voorkomen worden. Daar zag ik Dirk, dien ik goed kende; hij was een der voormannen.

Terstond ging ik naar hem toe.

„Dirk,” zei ik, „nu doe ik een beroep op je hulp.”

„Asjeblieft, meneer! Wat wou u?”

„Zie eens, Dirk, de bazen hebben toegegeven aan wat verlangd is, en daar zijn de menschen meê ingenomen. Maar nu willen zij naar de soldaten en ge zult toestemmen, dat daar niets goeds van komt. Je hebt wel gemerkt, dat velen al een borrel gedronken hebben: komen ze nu met de soldaten in aanraking en er maar een paar jongens zijn die met schelden beginnen, dan loopt het mis. Dan wordt er allicht bevel gegeven om te schieten en komt er een bloedige botsing. Dat wilt gij evenmin als ik, en nu zijt gij de man, die de menschen bewegen kunt om naar huis te gaan. Kom, Dirk, laat de dag nu ook een goed einde hebben. Mag ik op je rekenen?”

Dirk sloeg de hand aan de pet, als wilde hij zeggen mij begrepen te hebben. Hij ging naar den vaandeldrager en zijn breede handen in de hoogte stekende, riep hij met krachtige stem: „Mannen, wij hebben onzen zin gekregen; laten we nu liever naar moeder de vrouw gaan en vertellen hoe mooi alles is afgeloopen.

“lk wist wel, dat het goed was, steeds een beroep te doen op den goeden wil van hen, die misschien liever anders zouden willen. Een beroep op het eergevoel der menschen werkt altijd wat goeds uit. Ook nu weer. Men luisterde naar Dirk en trok zingende huiswaarts, zonder de militairen zelfs gezien te hebben.

En Dirk? Terwijl ik deze regels schrijf, leeft hij nog. Dirk. we zijn beiden door Gods goedheid oud geworden. Het deed mij goed te vernemen, dat ge iets anders en beters gevonden hebt en ge in eenvoudigheid des harten den Heer dient. ‘t Verblijdde mij, dat ik in September te Erica Pieter en Betje nog sprak, die leerden verstaan, dat er wat anders noodig is, dan wat deze wereld geeft.Marechaussee-klazienaveen

Aan den avond van bovenbeschreven dag werd de troep aan de Ericasche brug ontbonden. Velen hadden onderweg den stoet al verlaten, als Zij in de nabijheid hunner woning waren gekomen. Jammer, dat er bij de brug nog een verwoede vechtpartij plaats had tusschen opgeschoten jongens. Er was heelemaal geen aanleiding voor, maar men wilde eens vechten!

Overigens liep alles in de beste orde af.

3 reacties op “De Groote Werkstaking”

  1. H. Sijbom zegt:

    Even een opmerking.
    In 1890 was er in Klazienaveen volgens mij nog geen marachausee. De kazerne werd pas in 1903 gebouwd.

  2. Henk Sijbom zegt:

    Hallo
    Even een kleine correctie. De staking waar over gesproken wordt was in 1890. De marachausee kazerne in Klazienaveen is in 1892 gebouwd en in september 1904 in gebruik genomen.

Geef een reactie


negen + 7 =