De evangelist Wilhelm Jonker en de Boeren en Arbeiders op Erica.

Geplaatst op 17-02-18 door Gerhard Vedder

KeuterijWe hebben het reeds vaker in deze rubriek gehad over de evangelist Wilhelm Jonker, zijn verblijf in Zuidoost Drenthe en in het bijzonder zijn verblijf op Erica en zijn belevenissen hier. Ook hebben we het al gehad over de Ericase Boerenstand. Dat we in de periode van 1900 tot 1945 zo’n 80 boerenbedrijven op Erica telden en dat we in 2018, voornamelijk door de schaalvergroting, het aantal boerenbedrijven op ons dorp bijna op de vingers van twee handen kunnen tellen.

Maar hoe was dat in de tijd van Wilhelm Jonker, die in de periode van 1885 tot 1891 op Erica verbleef en predikte? In zijn boek ”Het Morgenrood in de Drentsche Venen” schrijft hij in Hoofdstuk 30 Boeren en Arbeiders het volgende:     

N.B.:

Toen de evangelist Wilhelm Jonker in 1923 zijn boek schreef hadden we een andere spelling voor onze Nederlandse taal bijvoorbeeld met veel dubbele o’s waar we nu nog maar één o hanteren. Het zelfde geldt ook voor andere klinkers en de “sch” die veranderde in een simpele s.

Misschien even wennen maar ook dit plaatst de gebeurtenissen terug in de tijd. Ik wens U ook nu weer veel leesplezier.

Hoofdstuk XXX: BOEREN EN ARBEIDERS.

“Als ik hier spreek van boeren, dan bedoel ik de vele kleine boeren, die het uitgestrekte Barger-Oosterveen, Barger-Compascuum en een groot deel van het Amsterdamsche en het Schoonebeeker Veld bewonen; en spreek ik van arbeiders, dan worden de turfgravers bedoeld. Reeds lang vóór het veen in Drenthe’s Zuidoosthoek aan de snee kwam, hadden zich daar kleine boeren gevestigd.

Zij kwamen voor een groot deel uit Hannover en konden voor een geringe pachtsom veen in huur krijgen, niet om dit te vergraven, maar om het te bebouwen. Aardappelen werden voor eigen gebruik verbouwd; de rogge voor een gedeelte. De boekweit werd voor het grootste deel te Coevorden ter markt gebracht. In de eerste jaren hunner vestiging was vooral boekweit een dankbaar verbouw.

Ook Emmer en Schoonebeeker boeren die daar veengronden hadden, verbouwden er veel boekweit. De boekweit toch vraagt weinig mest, met name de veenboekweit in onderscheiding van de zandboekweit. In den winter wordt het boekweitveen gehakt en worden greppels gegraven voor de afwatering. Als de Meimaand komt, wordt diezelfde grond nog weer eens doorgewerkt, soms geploegd en als hij dan goed droog is, begint men het veen te branden. In een cylindervormigen, roosterachtigen pot, voorzien van een langen, houten steel (vuurpan), doet men droog, vlokkig veen, dat met vuur aangestoken wordt. Vervolgens loopt men, dit werktuig steeds schuddende, over de akkers. Bij elken tred valt zoodoende door de openingen een weinig vuur, en in een betrekkelijk kort oogenblik staan de akkers in gloed.

BoekweitbrandenEen stevige bries bevordert dit werk. Met vuurpan en schoffel gewapend, bewegen de boeren zich als schimmen tusschen rook en kleine vlammen om te zorgen, dat ieder plekje vuur vat, maar ook om te voorkomen, dat dit branden geen grooter omvang neemt dan noodig is, wat menigmaal gebeurd is en een ramp werd. Soms vatten de kleeren vlam, en ’s avonds zijn de oogen dikwijls met bloed beloopen, terwijl het gezwollen gelaat een donkerbruine kleur heeft aangenomen. Hier en ginds stijgt weldra de rook in groote kolommen omhoog; in die dagen is het één en al rook. Niet alleen daar wordt dan de zon er door verduisterd: de wind drijft de rook vóór zich heen en verspreidt haar zóó ver dat men op groote afstanden, bij Oostenwind zelfs tot over de Noordzee, over de lastige veenrook klaagt.

Meestal dooft het vuur van zelf uit als de bovenste veenlaag (de bolster) tot asch verbrand is; een enkele maal moet het evenwel gebluscht worden. De verkoolde veenkluiten en de verkregen asch nu dienen tot meststof, en zoo spoedig mogelijk na het branden wordt de boekweit gezaaid. Zes à zeven weken later ziet men zoo ver het oog reikt, op de akkers niets dan de witte bloempjes van het bloeiend gewas.

Nu neemt de bijker ook zijn kans waar; hij brengt zijn korven met de nijvere bijen op de boekweitvelden, en deze komen dan dagen achtereen telkens zwaar beladen bij hun korven terug.

In het laatst van Augustus of in het begin van September, is de boekweit rijp en gewoonlijk heeft men een rijken oogst. Jammer, dat de boekweitplant zoo teer is, en een enkele nachtvorst, een hevige wind of veel regen de hoop van den landman geheel vernietigen kan. De boekweit is eigenlijk een Oostersche plant. In de laatste jaren wordt er weinig boekweit meer verbouwd, omdat het zoo goed als niet meer loonend is; de grond is te veel verbrand en veel veen is al vergraven. Het leven der boeren op de veengronden is zeer sober; van welvaart is geen sprake.

Hun boerderijtjes vertoonen een treurig beeld. En toch leven zij dankbaar en tevreden, omdat zij zich weinig behoeften scheppen. Hun kleeding is o zoo eenvoudig en hun maaltijden schraal.

Ketel boven het vuurEr was bij een der boertjes een kleine gekomen en toen deze ongeveer veertien dagen oud was, werden enkele buren op een maaltijd genoodigd. Mijn vrouw en ik kwamen de woning binnen vóór het gebruik van het “feestmaal”.

Boven het haardvuur hing een verbazend groote ijzeren pot met aardappelen. Daarnaast werden boven een paar kooltjes vuur in een pannekoekspan eenige stukjes Amerikaansch spek uitgebakken. Toen de aardappelen gaar waren en het spek gebakken was, werd het vet in een pannetje gedaan en de aardappelen er in afgegoten, zoodat dit geheel gevuld was met “stip” of saus; die ‘met een houten lepel op de borden geschept werd. Van groente was geen sprake, maar wel werd als nagerecht rijstebrij gegeten, waarbij het water niet vergeten was. En toch zaten de menschen smakelijk en wat meer zegt dankbaar te eten.

 Een geheelen dag had ik eens in het Barger-Oosterveen doorgebracht; het was winter’. Tegen ‘den avond kwam ik bij een boertje, waar men juist aan den maaltijd zou beginnen; men vroeg mij er een zegen over te vragen. Of ik wilde of niet ik moest mede-eten. Maar de “saus” vond men voor mij wellicht te schraal, want men gaf ze mij niet. Een diep bord met aardappelen werd mijn deel, rijkelijk overgoten met karnemelk!

De aardappelen waren bevroren en de karnemelk was zuur!

Ik had mij met heel mijn hart aan de menschen gegeven; met de armen wilde ik een arme zijn; zij wisten dat ik niet het hunne zocht, maar hen. Zou ik dan weigeren wat zoo goed gemeend werd aangeboden? Ik gebruikte dus iets, niet veel. Het “tuut-ei” (zoo werd een langwerpig ei genoemd), dat ik na den maaltijd kreeg, smaakte oneindig veel beter.

Wever door Vincent van GoghOok Milkamp had een boerderijtje. Hij was eigenlijk linnenwever van beroep. In zijn woonvertrek stond een groote, heel oude weversstoel, en als Milkamp niet op het land werkte of naar zijn klanten moest, ging de spoel elken dag geregeld van rechts naar links en van links naar rechts door de scheering.

In die jaren werd in den omtrek nog vlas verbouwd voor eigen gebruik. In de winteravonden zaten de vrouwen aan het spinnewiel, en het garen werd naar den wever gebracht, die er dan linnen van weefde, zoo stevig als men het in de winkels niet koopt. Van dit linnen werden lakens enz. gemaakt en een deel werd naar den blauwverver te Coevorden gebracht, die het een donker blauwe kleur gaf. Daarvan werden jak en rok gemaakt.

Menig rolletje linnen heeft de wever bij de boerinnen bezorgd, die zijn werk dan bewonderden en blijde waren, dat de linnenkast weer rijker van inhoud was. Reeds eerder heb ik het gezegd, dat geld een weeldeartikel voor die kleine boeren was.

Er bestond een soort van ruilhandel. De veestapel was niet groot en bestond gewoonlijk uit één of twee koetjes, een pink, een varken, een geit, een oud paard en een koppel schapen en kippen. Wat mij altijd in deze eenvoudige menschen trof. Dat was het zoo goed als niet gebruiken van sterken drank. Het was maar heel, heel zelden, dat er een borreltje gebruikt werd. Men vond het niet noodig en geloofde terecht, dat het geld beter besteed kon worden, een zeer nuchtere opvatting in zake het drankvraagstuk.

 Vooral die drank was oorzaak, dat er een groote klove tusschen boeren en arbeiders bestond. Die beiden leefden eigenlijk met elkander op voet van gewapenden vrede en kwamen maar hoogst zelden met elkander in aanraking, niet meer dan noodig was.

Onze boertjes geloofden, en niet geheel ten onrechte, dat de arbeiders over ’t algemeen veel te veel dronken en de waarde van het geld niet kenden. De arbeiders beschouwden de boeren zoo wat als minderwaardigen. De turfgravers leefden, als zij in de verdiensten waren, royaal. ’t Kon dan niet op.

Dan zou menigeen de zoete koek wel in boter willen bakken. Er werd in den graaftijd veel geld verdiend, vooral door de gezinnen met volwassen kinderen. Dan werden tweemaal in de week de winkelwaren met den kruiwagen gehaald. In voor- en najaar, bij minder verdiensten, ging men eenmaal in de week met een mand naar den winkel om de boodschappen te halen, en als men ’s winters nog winkelen kon, dan ging, wat men noodig had in een dichtgeknoopten rooden zakdoek. In den graaftijd ging het winkelen nogal eens gepaard met dronkenschap. Leefden de boeren over ’t algemeen meer ingetogen, een groot deel der arbeiders was ruw en onverschillig.

2604-119 Plaggenhut 1926Mag ik met een enkel woord twee arbeidersgezinnen schetsen, zooals ik ze heb gekend?

Het eene woonde aan de Oostzijde van de Kanaallinie in een keet, wan welke het mij altijd verwonderde, dat zij bij een kleinen stormwind nog niet was onderste boven gewaaid.

Ze was zoo bouwvallig mogelijk, en een steen was er niet aan te vinden. Ik zat er eens aan het ziekbed van de vrouw des huizes; het was buiten guur en koud, en wind en regen hadden vrij spel in de zoogenaamde bedstede. Een van de kinderen sliep in een ton. Jan had een groot gezin. In den graaftijd werd er heel wat geld verdiend, dat evenwel voor een groot deel in de kroeg terecht kwam. Man en vrouw dronken om het hardst. Was de winter in het land, dan werd bittere armoede geleden en toch nog gedronken. Dan werden de kinderen “den boer op” gezonden om een maal aardappelen. Was het wonder, dat geen blind paard schade kon doen in Jan’s keet?

Plaggenhut MolenAchter den molen aan de vaart stond ook een keet, maar goed onderhouden. Daar woonde ook een Jan. In en om de keet zag het altijd netjes uit; in den zomer vond men er bloempjes, vooral goudsbloemen. Jan had een vijftal nog niet volwassen kinderen. Er werd niet zooveel verdiend als in het eerst geschetste gezin. Maar toch, er was een zekere welvaart, dank zij ook de huisvrouw. Meer dan eens zeide Jan, dat hij het in den winter veel beter had dan in den zomer. Want in den zomer moest hij zwaar werken – en Jan was nu juist niet van de sterkste – maar dan verdiende hij ook zooveel, dat hij een varken kon mesten, een en ander opdoen voor den winter, kleeding koopen enz.

Zijn stukje land bewerkte hij zelf en zoo had hij voor winter en zomer aardappelen, boontjes, kool en nog wat rogge. Kwam dan de winter, waarin niet gewerkt kon worden, dan rustte hij heerlijk uit van den arbeid, onderhield de keet wat en zat voor het kleine raam bij de haard, waar beste blauwe kluiten lustig vlamden, te lezen.

Hij had dan met zijn gezin goede voeding en ligging. Kwam de graaftijd, dan ging hij met een flink doorvoed lichaam en frissche krachten weer aan het werk met “stikker” en “oplegger”. Onze vriend had de dingen die Boven zijn lief. Hij is niet oud geworden en betrekkelijk vroeg heen gegaan. Er braken toen voor de weduwe wel moeilijke tijden aan, maar Griet is deze te boven gekomen, vooral toen de kinderen grooter werden. Armoede heeft zij niet gekend.” 

Aldus schreef de evangelist Wilhelm Jonker toen hij in 1923, nu 95 jaar geleden, terug dacht aan zijn tijd – 1885 tot 1891 – op Erica.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


negen + 2 =

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.