De eerste NH kerk op Erica

Geplaatst op 12-09-20 door Gerhard Vedder

In het in mei 2000 op Erica uitgegeven boekwerkje over de Impressies van de Hervormde Gemeente te Erica in de twintigste eeuw, dat vast wel ergens in veel Ericase boekenkasten een plekje heeft lezen we op pagina 7 een hoofdstuk(je) over “De eerste kerk”.

Daar staat geschreven:

“De Ericasche Kerkbode van april 1935 is een jubileumnummer. Het 50-jarig bestaan van de gemeente wordt gevierd. De oplettende lezer merkt dat er iets niet klopt. Vijftig jaar in 1935? En in 2000 honderd jaar?

 

Ook toen was er al discussie over de getallen.

Men had 1885 als startdatum gekozen, omdat in dat jaar de bediening van evangelist W. Jonker in Erica begon. Echter in 1926 werd de Hervormde Gemeente Erica pas echt zelfstandig, dus een jubileum was er eigenlijk niet.

In de jubileumkrant staan een aantal herinneringen. En die van de heer J. de Vries, die hier van 1892 tot 1902 als evangelist werkzaam is geweest, zijn voor dit jubileum van belang.

De heer de Vries schrijft over zichzelf: “In nauwe samenwerking met mijn egade hebben wij hier bijna tien jaar mogen arbeiden. De woning viel op het eerste gezicht niet mee, doch wij waren spoedig dankbaar en tevreden, toen wij zagen waar de omringende menschen – ook menschen als wij destijds – in moesten wonen….

En zo gaat het relaas van de evangelist de Vries verder en wordt beschreven hij over zijn gezinnen waakte. Zo’n 200 protestantse gezinnen die woonden tussen Zuidbarge, het Dommerskanaal, de “2e Sluis Westwaarts” (richting Nieuw Amsterdam) tot aan de Duitse grens. En ook hij zakte weleens, net als de pastoor, als hij onderweg was naar behoeftige gelovigen tot over zijn knieën weg in het moerassige veen.

Een zeer lezenswaardig boekje over “Honderd jaar Hervormd op Erica”. Maar wat we niet lezen is het volgende en dat willen we nu toch graag met u delen:

Het betreft hier een transcriptie uit “De aantekeningen Ds Jetze de Vries vanaf 1 Mei 1892”, gezonden aan het bestuur der Nederlands Evangelisch Protestantse Vereniging te ’s Gravenhage”.

De handgeschreven aantekeningen, die helaas niet altijd te ontcijferen waren, werden “uitgetypt” door Sjoerd de Vries, kleinzoon van Ds Jetze de Vries.

De aantekeningen werden door Ds J. de Vries, als een soort van verantwoording, gezonden aan de Nederlands Evangelisch Protestantse Vereniging te ’s Gravenhage.

Een vereniging waarvan de J. (Jetze) de Vries, zoals hij zelf zegt, sinds 18 Juni 1892 het voorrecht heeft, als evangelist lid te zijn. En waarvoor hij zijn evangelisatie werk doet op de heide van het dan nog woeste en lege Erica en Omstreken.

Op deze foto uit circa 1900, zien we van links naar rechts:  de vader van de De Vries die de transcriptie maakte – Sjoerd de Vries, 1890 – 1972, zijn grootvader – de evangelist Jetze de Vries, zijn grootmoeder – Boukje Jansonius en nog twee kinderen.

1892 Mei tot en met (…?).

De verslaglegging zegt het volgende:

“Hiermede (een bezoek aan een doodzieke jongeling) neem ik afscheid van een werkkring waarin God mij een tijdlang gesteld en gezegend heeft.

Als ik denk aan die enkelen als waarvan ik boven vermeldde dan is mijn bede dat de Heer een opvolger geve voor die streken. Evenwel ben ik voor mij zelven vast overtuigd dat ik door het arbeidsveld te verlaten niet uit den weg Gods ben gegaan. Dit bevestigd mij meer dan ene ondervinding te dezer plaatse. Want nu ik op deze plaats waar de Heer mij gesteld heeft dan zie ik ook de noodzakelijkheid van een op dit station in. En ik geloof dat op gebed en toewijding hier zegen kan volgen.

Volgens besluit van ons geacht bestuur met goedvinden van mijnheer Crommelin*, dat de meeste lezers van dit verslag bekend is, werd ik met October 1892 verplaatst naar Erica. Daar kwam ik 20 October met mijn gezin (vrouw en twee kinderen) in den besten welstand aan.

Den 23sten van die zelfden maand werd ik door Ds van Wijngaarden des namiddags ingeleid tot mijn werk. In dezelfde samenkomst sprak ik mijn eerste woord alhier naar aanleiding van 1 Corinthen 1:17a deze woorden: “God heeft mij niet gezonden om te doopen, maar om het evangelie te verkondigen.”

Ds van Wijngaarden leidde mij in met de woorden: “Doe het werk van een evangelist  zoals geschreven in 2 Timothëus 4:5.”

Sedert dien tijd verricht ik hier het werk van een evangelist met de opgewektheid en aanvankelijk zelfs ook niet zonder zegen. De eerste samenkomst werd ondanks het gure herfstweer door een tamelijke schare bezocht. Het locaal dat 110 (of 170, vanwege slechte leesbaarheid) zitplaatsen heeft, was overvol,

Mijn arbeidsveld hier (…. onleesbaar) in het vierkant. Er wonen hier bijna niet anders dan zeer arme veenarbeiders, een enkel burgertje is er tusschenbeide. Behalve de roomsche bevolking alhier (er staat hier ook een roomsche kerk) wonen hier ruim duizend protestanten die ik zoo goed als allen bereik. Meer dan 100 huisgezinnen werden door mij een of meerder malen bezocht. De bevolking is in het algemeen zeer onkundig, doch niet afkeerig van het evangelie. Ik heb het voorrecht door allen welwillend en vriendelijk ontvangen te worden. Dat op zulk een plaats weinig beslist geloovigen zijn is af te leiden. Toch is er een zeker (…?) de waarheid op hen. Zij willen er alleen wel van horen. Tegelijkertijd echter worden ook veel grote zonden door diegenen aan de hand gehouden zooals sterke drank drinken, dit doen zelfs ook de meisjes. Deze lokken, zegt men, de jongens naar de herberg en dan door, armoede of onwil, afzetterij van winkeliers  die borgen.

Dan is het peil der zedelijkheid ook bij velen niet zoo hoog. Toch is er, naar men zegt, in de laatste jaren al veel verbetering gekomen”. 

1899 Februari tot en met Juli.

Het verslag gaat verder:

“Zoo niet hoofdzaak, toch is het meest openbare van dit halfjaar geweest de vordering van de vervulling der wensch een nieuw locaal te krijgen. Als de Heer iets geeft komt het zelden zoo spoedig als wij wenschen of denken. Dat is ook hier het geval met ons locaal. Doch nu wordt ook boven ons bidden en denken vervuld. Want om een nieuw locaal is gebeden, doch om een huis voorzeker (?) niet wonen (?). En toch verkrijgen wij dat ook.

Laat mij in het kort de geschiedenis meedelen.

Op ons schrijven aan de gegoede Christenen in ons vaderland ontvingen wij de som van 1465 gulden, waaronder ook een gift van de 200 gld prijkt van Hare Majesteit de Koninginmoeder. Hier werd 500 gld ingetekend. In de kas der vereniging werd boven de gewone uitgaven 200 gespaard. En voor het oude huis en locaal is ons alreeds 350 gld meer geboden als wij er nog schuld op hebben.

Dan is er voor handen de ronde som van 2500 gulden.

Nu is er op gelegener, ja ik meen op de geschikste plaats daar ons grond aangeboden voor het locaal en huis te bouwen voor een som van 300 gld. De begroting voor het lokaal met een catichisatiekamer er achter met 50 zitplaatsen is 3500 gld en voor een huis met twee kamers, slaapkamertje, keuken, studeervertrekje, gang en bovenkamertje is 2000 gld. Dus te samen 5800 gld. De overige 200 gld, beneden de 6000 gld (welke som wij niet wenschen te overschrijden) is noodig voor grondwerk.

De kortschietende 3500 gld hebben wij aandelen voor getracht te verkrijgen van 100 gld tegen matige rente. Daarvan zijn er twee genomen te Erica, acht in Emmen en twee door mijnheer Crommelin. Dit maakt 1200 gld

Het overige kunnen wij desnoods verkrijgen als hypotheek bij Notaris Oostingh te Emmen, die daarvan reeds toezegging gaf in zoverre als het locaal en huis stond moest het worden geschat en dan de helft van de waarde hypotheek tegen 4 procent.

Men zal hier dan jaarlijks 35 x 4 = 140 gld rente hebben uit te betalen en voorts zoo mogelijk een aandeel volgens schriftelijk gedane beloften. Dan zal er telken jare behalve de noodzakelijke uitgaven 240 gld hier moeten worden opgebracht. Dit had men de laatste jaren met het klein locaal alreeds kunnen doen, onder de tegenwoordige omstandigheden. Daarom zal het niet moeilijk vallen, dunkt mij, dit met het zoveel ruimer locaal te doen, waarin 100 zitplaatsen meer in zijn.

De gewilligheid waarmede men ons de giften schonk en de aandelen nam meenden wij de goedkeuring Gods in te zien op ons voornemen, zoodat wij overgingen tot de voorbereidende werkzaamheden. En daar wij hier geen timmerman hebben die het wek kan uitvoeren en er van het begin af met mijn vader, die timmerman is, geraadpleegd werd heeft het bestuur alhier in overeenstemming met de leden het mijn vader te laten maken voor rekening van de vereeniging tegen 8 procent volgens aanbod van vader van de kosten van de bouw.

In mijn vader hebben wij een, om meer dan een reden, belangstellend persoon in de Evangelisatie alhier en, ook naar ik meen, een alleszins bekwaam timmerman om het werk uit te voeren.

En het aanbod á 8 procent achten allen billijk, daar wij dan ook met geen architects bezoldiging hadden te doen.

Met het graven der fundamenten en het opvullen met zand werd reeds een aanvang gemaakt. Met de bouw van het locaal zal D. V. Maandag 4 September begonnen worden e dan hopen wij einde November of begin December met locaal en huis gereed te zijn.

Nu werd er terloops over inwijding gesproken. Dit zou men gaarne door onze Hooggeachte secretaris gedaan hebben. Daarom mogen wij zeker weleens bij U aankloppen. De tram rijdt nu tot Nieuw Amsterdam op een uur afstand van het locaal. De juiste datum van inwijding zal later moeten bepaald en U zo spoedig mogelijk gemeld worden. Wij meenden dat waar de Vereeniging door hun aanbeveling zoo flink geholpen had in den zaak en terwijl zij zoveel jaren de evangelist salarieerde dat zij recht had op den eer van inwijding en bovendien zouden wij gaarne het hoofdbestuur vertegenwoordigd zien alsdan, minstens in uw persoon.

,(hierna circa zes pagina’s overgeslagen).       

Tabellarisch overzicht van 1 November 1899 – 31 Januari 1900.   

Ten slotte:

Het meest vermeldenswaardige van hetgeen in dit (…?) met de evangelisatie alhier voorviel is wel dat wij een nieuw locaal zagen verrijzen van 9 m breed en 15 m lang en 5 m hoog behalve het gewelf in alle opzichten een flink gebouw met een catechisatie er achter van ongeveer 27 m² oppervlakte. Daarnaast een woning van den evangelist die in alle opzichten flink en gerieflijk is ingericht. Het locaal werd 12 November 1899 aan zijn bestemming gewijd en het huis de week van het Kerstfeest betrokken.

Zonder twijfel mag locaal en huis te midden van zoovele hutten en keeten een sieraad genoemd worden van de plaats. De Heer deed boven ons bidden en denken. Want het verkrijgen van een locaal was gehoopt, ja afgebeden, maar een huis daarbij dit was niet vermoed noch verwacht in den beginne.

Wel rust er nu veel bezwaar op de evangelisatievrienden alhier. Men moet niet minder dan 4300 gld leenen samen.

Dit kan onder de gewone omstandigheden of zoo die thans zijn ook geschieden. En een groter en tevens flink locaal meer behoefte en eisch van de plaats daar de evangelisatie dienst doet als Hervormde kerk.

(…) Het locaal heeft ruimte voor 230 personen, desnoods kunnen er ook 280 zitten. (…)

Een en ander kost echter omtrent 7000 gld. (…)

Iemand die mij beschuldigd had van de vereniging benadeeld te hebben om mijn vader te bevoordelen trok die beschuldiging schriftelijk in toen ik hem uitnodigde de rekeningen in te zien. (Een briefje, ondertekend “Erica de 4e Augustus 1900 J. Vos los bijgevoegd in het schrift.)”

Deze foto is gemaakt in de eerste jaren van de 20ste eeuw. Men ziet een trekschuit met (tweede van rechts) de welhaast legendarische caféhouder J. Beuker. Aan de andere kant van het kanaal het locaal dan wel de in 1899 gebouwde N. H. kerk met rechts, nog net zichtbaar, het huis. Op de achtergrond (links) waar later de woningbouw zou verrijzen, het zogenaamde Geitenveld. 

Nog even weer terug naar “Honderd jaar Hervormd”.

Ik citeerde aan het begin van dit verhaal ook al even uit dit boekwerkje. We gaan nu verder op pagina 9, daar lezen wij: “In 1899 wordt de eerste echte kerk met pastorie gebouwd, voor fl 7000,00. Het kerkgebouw was eenvoudig van vorm en erop gebouwd om zoveel mogelijk mensen plaats te bieden. Een toren ontbrak nog. In het gebouw werd een gedenksteen ingemetseld met de tekst: Eben-Haëzer, steen der hulpe. (ook wel geduid als: “Tot hiertoe heeft de Heer ons geholpen”.

De plaats van de kerk in het midden van het dorp, vlak bij het kruispunt der hoofdwegen en het kanaal, hebben we te danken aan de verveners die de bouw voor een groot deel gefinancierd hebben.

Daarom ook nog maar even terug naar het “sterretje” bij de naam van dhr Crommelin eerder in de tekst.

* Een aantal Amsterdamse kooplieden, H. Meineszs, G. Cruis, H. van Beeck Vollenhoven, P.C. Stadsnitski, J.P.A. van Wickevoort Crommelin en A. van Geuns, van de Markegenoten Noord- en Zuidbarge kochten in 1851 ruim 2.000 ha. groot terrein dat zich uitstrekte van het huidige Nieuw-Amsterdam tot aan de grens van het koninkrijk Hannover. Zij waren tevens oprichter van de N.V. Drentsche Landontginning Maatschappij (DLM), die zich tot doel stelde de vervening (brandturf) en latere ontginning van de afgeveende gronden. In 1909 werd DLM overgenomen door de Griendtsveen Maatschappij. Deze familiebedrijf was in 1885 opgericht door Joseph en Eduard van de Griendt en gevestigd te Rotterdam.

De heer Crommelin gaf zijn naam aan een wijk in het gebied tussen het Dommerskanaal en het Tuinbouwcentrum Erica II. (Zie voor meer detail Hoofdstuk 7 – Het Amsterdamscheveld in het boek Ericase Toponiemen en bijgaand kaartje) 

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


+ vier = 10

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.