Hopend op een Vrijer Leven

Geplaatst op 22-02-19 door Gerhard Vedder

Hopend op een Vrijer Leven

Drentse veenarbeiders/sters verhalen

door Sietse van de Hoek

Van Sietse van der Hoek wordt op de achterkant van het boek gezegd: Geboren in 1943 in Doezum-Gr. Als oudste zoon van kleine luyden volgde hij een onderwijzersopleiding in Groningen en werd leraar Nederlands. Dit boek is een hommage aan de mensen in het veen. “hoe kan het dat we toen niet doodgevallen zijn?”, en dan toch maar overleven.

Het betreft een verhalen bundel uitgegeven in 1978 en daar uit wil ik graag het verhaal “Een leven, van en over Hendrikus Lodewikes Reuvers, geboren 1893” met u delen.

Een leven

Het hoekje waar ik geboren ben, noemde men Boesjes-tien huisjes. Gewoon een veenweg op het bovenveen onder Oranjedorp. Een stuk of tien huisjes. Keten. Lage walletjes van veenkluiten, aan de voorkant een muur van steen met een houten gevel. Toen ik zeven was verhuisden we naar Erica. Een stenen huis, maar niet meer dan een voorhuis met bedsteden en de stal achter. Mijn vader is remplaçant geweest, dus in militaire dienst voor iemand anders en met het geld dat hij daarvoor kreeg, had hij een paar schapen gekocht.

In die tijd gingen de meeste mensen niet meer dan drie jaar naar de lagere school. Ik was een uitzondering. Ik heb bijna zeven klassen gehad van de openbare school in Erica, bijzonder onderwijs was hier toen nog niet. Mijn ouders waren er erg scherp in, dat je naar school ging. Een uur lopen en een uur terug. Je kwam nooit met droge voeten thuis.

Brain drain

Op mijn elfde werd ik aangenomen. En het jaar daarop elke dag veen-arbeid. Mijn broer en ik zijn begonnen als kruier. Jarenlang kon ik maar geen honderd pond worden. ’s Avonds langs de wijk op weg naar huis was ik zo moe, dat ik een glooiing niet op kon komen. Dan moest ik er om toe lopen. En de eerste kruiwagens de volgende morgen, daar had ik geen stuur over. Je trilde helemaal. In die periode zijn mijn voeten en mijn tenen vergroeid. Het kwam er te veel op aan.

Mijn vader kwam van Slagharen en was via Hoogeveen afgezakt naar de Zuidoost-hoek. Vlak voor ik geboren ben, in 1891, was het een heel moeilijk jaar geweest voor mijn ouders. Drie maanden te lang zat de vorst in de grond en kon mijn vader niet werken. Wel schulden maken. Het enige nieuwe dat ze toen dat jaar aanschaften, was een rok voor mijn moeder.

Negen kinderen waren er en ze hebben allemaal in het veen gewerkt. Mijn broer ging later naar Philips in Eindhoven, een zuster van mij met haar man ook, een andere broer naar de mijnen in Limburg en een andere zuster met haar man naar de Enschedese textiel.

Dat was een ramp. De grote gezinnen werden in de twintiger jaren hier weggehaald om op de fabrieken te gaan werken. De grootste en beste gezinnen vertrokken. Een groot verlies voor de streek. De sociale dienst van Philips schuimde hier ook regelmatig rond, op zoek naar kinderrijke gezinnen. Dat ze wegtrokken was wel begrijpelijk, ginds hadden ze toekomst, hier niet.

Ik heb ook de goeie jaren in het veen meegemaakt. De Eerste Wereldoorlog.

Met zijn tweeën voor zestig gulden in de week een heel seizoen turfgraven. Dat leek dan wel mooi die dertig gulden, maar de goederen waren toen ook schaars en duur.

Ik heb toen es een nieuwe fiets moeten kopen, omdat ik drie uur lopen moest naar mijn werk. Die fiets kostte toen wel evenzogoed wel 215 gulden en was ook nog van slechte kwaliteit. Ach wat een tijd.

Als twaalfjarig jongetje om half vier het huis uit om om vier uur het schip te laden. Je kreeg dan voor driekwart uitbetaald, omdat je nog jong was. De vrouwen van april tot november aan het drogen en het schepen. Wat een ellende met die kleintjes in de wagen mee. Blèren in de schuddende wagen. En borstvoeding naast de turfbult. Wat zat er in die omstandigheden nog voor voeding in zo’n borst, vraag ik je af.

Voor merakel liggen

De zwarte turf die de langste dag nog vergraven werd, was niet meer droog te krijgen, tenminste toen er nog geen machines waren. Met de persturfmachines die hier na 1918 kwamen, kon de campagne langer duren. Mijn vader, mijn broers en ik gingen met Sint Peter en Paulus, dat was 29 juni, naar het Ruhrgebied. Tegen die tijd stond de reiszak altijd klaar. De tweede woensdag in september kwam je dan weer thuis en dan tot de Kerst weer naar Duitsland. Daar was altijd wek bij de kolenmijnen.

Met de Eerste Wereldoorlog was dat afgelopen. Ik heb ook nog een aantal jaren vlak over de grens bolster gegraven. Maandagmorgen om twee uur weg, drie uur lopen en zaterdagsavonds laat weer thuis. Onderweg kwam je dan de stille kroegen tegen. Die had je bij de vleet. En de veenarbeiders hadden niks anders. De drank hoorde er bij in het veen. Altijd jenever, die in ontzaggelijke hoeveelheden gesmokkeld werd. Spruut, een soort elixer kwam in varkensblazen de grens over.

Bij ’t scheepsladen kwam om zes uur de schipper met de fles en ieder lid van de ploeg kreeg een borrel, de schuitekruier twee. Om half acht at je pannekoeken en om half tien ging de schipper weer rond met de fles. Om één uur weer, enzovoort. En denk er om voor iedereen, ook de vrouwen en de werkende kinderen. Het gebeurde wel dat de vrouwen em om hadden ’s avonds als ze thuiskwamen.

Op kraamvisite – en er waren er veel in het veen – dronken de mannen jenever en de vrouwen brandewijn met suiker. En als dan zo’n grote schaal met rozijnen en jenever op was, lagen ze voor merakel. Trouwens dat was wel het vermakelijkste wat er was, de manier waarop de baakster met zo’n pasgeboren kind omging. ’s Morgens en ’s avonds verpakte ze de poppe tot een soort zuurstofcilinder. Zo stijf ingeregen, dat je er wel mee kon kaatsen. Dat bleef dan zo’n hele dag zitten, ook als het kind zich bevuild had.

De drankbestrijdersbond

Voor de kraamvrouw was er beschuitemelk met suiker. Daar waren wij als kinderen vaak zo gek op.

Ik zal zeven jaar geweest zijn, toen er alleen met Oud- en Nieuwjaarsdag al veertien liter jenever werd uitgeschonken bij ons thuis. Het was een kwaad en ik heb mijn best gedaan om het weg te krijgen, maar eerlijk gezegd was er op cultureel gebied niets wat er tegenover stond. Dat leerde je ook niet op school of in de kerk.

Ik was achttien toen ik bij de drankbestrijdersbond ging. In 1911 was dat of daaromtrent. Het was het eerste waar ik mee begon. Een zeer kuise bond. Er werd een gebouwtje gesticht op Erica om voor de jongeren iets te doen dat hen van de drank af zou houden.

Je had anders altijd van die ruzies hé, en die ongelukken. Hoeveel er niet met een dronken kop de wijk ingelopen zijn en verdronken. Op honderd meter van ons stond het café en de winkel van een vervener. Mijn broer had verkering met het dienstmeisje van die veenbaas. Hij was er bij, dat de zoon van die vervener, een slager, de schuifdeur tussen de keuken en het café openschoof en met het slagersmes in de hand naar de tap toeliep en daar iemand doodstak.

Het veenvolk was ruw, want het leefde in armoedige omstandigheden. Het kon zich alleen maar uiten in ruwe taal. Niet dat ik dat veracht. De vakorganisaties en de drankbestrijding zijn begonnen met de zaak hier vooruit te brengen.

Mijn vader is lid geweest van Recht en Plicht, eigenlijk een communistische organisatie van Sneevliet. Een bisschoppelijke verklaring in 1918, een soort Mandement, verbood ons om te horen bij socialistische of communistische organisaties, daar kwam het op neer. De Katholieke Landarbeidersbond kregen we toen hier. En Hemel, de bezoldigde van deze bond, werd de vraagbaak voor de mensen hier. Daar hebben we ontzettend veel aan gehad. Die man was goed bij. Op de avondschool had ik al wat cursussen gevolgd, bij de bond liep ik ook cursus. Toen ze met algebra begonnen, vond ik het te gek worden.

Volksopvoeding

“Omtrent de schadelijken invloed van den arbeid der gehuwde vrouwen in het veen op den toestand van hare gezinnen is – ook onder de arbeiders zelven, maar één stem. Allen zouden die afgeschaft willen zien, maar een woning en dikwijls ook arbeid voor het hoofd van het gezin, is onder veenbazen hoogst moeilijk te krijgen, wanneer de vrouw niet turft.

Daarbij is ook menigwerf het loon van de vrouw onmisbaar ter aanvulling van dat des mans. In verband met deze situatie lopen de jongetjes het huis uit en verwilderen, aan de meisjes wordt generlei onderricht gegeven in naaien en breien, want de moeder, voor zover zij er iets van verstaat, heeft er geen tijd voor; volwassen meiden zitten in herfst en winter om het vuur gehurkt en doen niets; zij hebben noch lezen en schrijven geleerd, noch handwerken.

Niet onderwezen in het hanteren van naald en draad, geraken zij tot het huwelijk, zonder iets van het huisbestier te verstaan. Het gezellige leven, klaagt een arbeider, wordt geheel verbroken. De woning is onzindelijk, de kleederei wordt verwaarloosd, telkens moet nieuw aangeschaft worden, voor ’t geen hersteld had kunnen worden; aldus geeft men onnodige geld uit en men loopt altijd met nieuw of met kapot goed”.

Rapport staatscommissie arbeidersenquête 1890, paragraaf 34.

Het duurde heel lang voor het beter werd.

Gemeente Emmen:

Inwoners         scholen           leerkrachten               kinderen

1900                20.000             16                    60                                3000

1910                28.000             29                    112                              4800

1920                40.000             44                    176                              7600

In 1924 kwam er Uitgebreid Lager Onderwijs (ULO) bij. In 1926 richtten particulieren de Centrale Vereniging voor den Opbouw van Zuid-Oost-Drenthe op om dit “probleemgebied” te helpen. In de zes buurthuizen die de Vereniging als centra voor maatschappelijk werk had gesticht, organiseerde men consultatiebureaus voor zuigelingen en t.b.c.-bestrijding, hoogtezonbehandeling, schoolartsendiensten, de eerste vorm van kleuteronderwijs in Nederland, moedercursussen en onderricht in koken, naaien, wassen, timmeren, tekenen en woninghygiëne, opleidingen tot dienstbode, hulp bij het opzetten van tuinbouwonderwijs en van een tuinbouwproefbedrijf.

Ik was ook lid van het zangkoor. Ik weet nog die avonden, dat ik naar het gebouw ging voor de repetitie en dat in de verte de lucht gloeide. Dat was dan in de monden, waar de turf brandde. Dat zouden de revolutionaire comités gedaan hebben, heette het. Maar wij waren daar niet zo zeker van. Het was in die tijd dat het heel slecht ging, de jaren twintig. Om het veen toch aan snee te krijgen – want onder het veen lag de bruikbare dalgrond – gaf de regering subsidies aan de verveners. Maar de grote voorraden turf die in bulten op het veld stonden, stonden in een aantal gevallen de vervening in de weg. Dacht je dat de verveners dat erg vonden, als die onverkoopbare turf dan in vlammen opging? Zij waren er wel voor verzekerd. Elke avond opnieuw was de lucht rood van de veenbranden.

Bij Erica gebeurde dat niet. Het Smeulveen is ook heel ander veen. In de monden brandde het veel beter.

Wilhelmus tegen Brommerd*

De stakingen, die ik heb meegemaakt, waren meestal blauwemaandagsstakingen. Twee of drie dagen. En een enkele keer had je hele wrede, die lang duurden en zonder uitkering. Eén keer was ik mee om te kijken of er toch nog mensen werkten, toen in de buurt van Nieuw Amsterdam de ketting van mijn fiets liep en er kwam een groep marechaussees achter ons aan. Met Sabels. En ik kreeg een pak rammel. ’s Avonds is de commandant uit Emmen nog bij mij geweest om het weer recht te praten. Ik zei tegen hem: Zeer hebben ze mij niet gedaan, het onrecht kwelt mij veel meer.

Er was altijd een groot verschil in mentaliteit tussen Groningers en Drenten in het veen. De eersten zijn veel agressiever op sociaal gebied. In Groningen waren de verveners grote, dikke Kanaalster boeren. In Drenthe had je aan de ene kant de grote, gezichtloze maatschappijen en daarnaast hele kleine veenbaasjes, mensen uit de buurt. Emmercompas heeft nog het meeste van de Groningse mentaliteit. Het veen was er ook anders. Barger-Compascuum was het grensgebied. Daarboven had je de Kanaalster(Groninger) methode en maten en ten zuiden van Bargercompas de Barger-Oosterveense (Drentse).

Het ging bij die stakingen niet alleen om de veenarbeid, ook om de werkverschaffing in de land- en tuinbouw. Brommerd* (* zie aanvulling van uw redactie onder dit hoofdstuk) is hier ook nog es geweest voor het revolutionaire comité. Bij de openbare school stond hij op een tonne om het volk toe te spreken. Mijn zwager en ik zijn toen vaderlandse liederen gaan zingen als het Wilhelmus en Wien Neerlans Bloed om Brommerd het spreken te beletten. Natuurlijk niet de hele tijd, want ze riepen: We krieg’n ie wel. Voor alle zekerheid hebben we die nacht een paar keer om ons huis gecontroleerd, want we waren toch wel bang dat ze er de fik in zouden steken.

De pastoor heeft er nog een tekening van gemaakt. Brommerd de man in de tonne en die prent heeft nog in De Roskam gestaan, het spotblad van de katholieken.

Net zoals de Notekraker van de rooien.

(Dit rooms-katholieke humoristische tijdschrift met prachtige spotprenten werd uitgegeven tussen 1912 en 1929 als supplement op Het Katholieke Volk en later op De Volkskrant. Vanaf 1924 kreeg het als ondertitel ‘Politiek-satyriek en humoristisch tijdschrift’.)    

  

*Johannes Brommert (met een t en niet met een d) was dienstweigeraar en communistisch propagandist. Hij  is geboren te Kampen op 20 december 1891 en overleden in Johannesburg (Zuid-Afrika) in 1975.

Brommert groeide op in Kampen, waar hij het beroep van letterzetter leerde. Na het overlijden van zijn moeder in 1910 vertrok hij een jaar later naar Alkmaar. Hij kwam daar onder invloed van het socialisme en sloot zich aan bij de SDAP. Binnen de partij stond hij op de linkervleugel, die zich in de wereldoorlog verzette tegen de ‘godsvrede’ van P.J. Troelstra, die de mobilisatie van het Nederlandse leger goedkeurde. Brommert was pacifist en weigerde als een van de weinige SDAP’ers de dienstplicht.

Hij ondertekende het dienstweigeringsmanifest uit 1916 en hield veel spreekbeurten tegen de oorlog. Onder invloed van de Russische Oktoberrevolutie ging Brommert over tot het communisme. In 1919 werd hij voorzitter van de Communistische Partij in Nederland (CPN), federatie Noord-Holland. In dat jaar werd hij gekozen in de gemeenteraad van Uitgeest en in de Provinciale Staten. De CPN stuurde hem vaak naar Oost-Groningen om de anarchistische arbeiders tot het communisme te bekeren. Brommert vestigde zich eind 1920 in Enschede als propagandist. Hij had er een drukkerij. Zijn huwelijk was gestrand en hij ging samenwonen met de uit Zuid-Afrika afkomstige Magdalena Kampfraath, met wie een zoon kreeg die hij ter ere van Lenin Wladimir noemde. Voor De Tribune verzorgde hij een rubriek over Twente. In Enschede moest Brommert nauw samenwerken met anarchisten die onder de arbeiders in Twente over aanhang van betekenis beschikten. Zo sprak hij op een gezamenlijk 1 meifeest van anarchisten en communisten. Brommert was tevens propagandist in de Drentse venen en nog steeds Oost-Groningen.

Binnen zijn eigen CPN-afdeling ondervond Brommert tegenstand. De afdeling viel tenslotte uiteen en vele leden werden geroyeerd. Tijdens de Twentse textielstakingen van 1923 werden Brommert gearresteerd en wegens opruiing tot drie maanden gevangenisstraf veroordeeld. Brommert zat deze pas in 1926 uit.
In juni 1923 vertrok Brommert een illusie armer naar Amsterdam. Hij begon daar met Kampfraath een kunstnijverheidswinkel en noemde zich kunsthandelaar. Daarnaast was hij bezoldigd secretaris van de IAH. Zijn ster rees in de partij en hij kwam in het partijbestuur. In 1925 werd hij als secretaris met het gehele bestuur door de Comintern (
De Communistische of Derde Internationale, in het Russisch afgekort tot Comintern, was een wereldwijd samenwerkingsverband van communistische partijen onder aanvoering van de Communistische Partij van de Sovjet-Unie.) tot aftreden gedwongen.

Brommert volgde Wijnkoop naar diens nieuwe partij, de Communistische Partij Holland-Centraal Comité (CPH-CC), waarin hij opnieuw in het bestuur kwam. Zijn functie bij de IAH behield hij. De aanhangers van de andere communistische partij, de CPN, bleven ook zitten, zodat de emoties hoog opliepen. Bekend is het verhaal dat Louis de Visser bij ‘de veldslag in de Harmonie’ in 1928 tijdens discussies tussen beide stromingen zijn wandelstok stuk sloeg op de rug van Kampfraath.

De CPH-CC bood Brommert en zijn vrouw onvoldoende mogelijkheid van bestaan. Zij leefden hoofdzakelijk van de kunstnijverheidswinkel. Wijnkoop, en in zijn kielzog Brommert, zette alles op alles om weer aansluiting bij de Comintern te krijgen. In het voorjaar van 1930 spraken Brommert en Wijnkoop in Hengelo en pleitten voor eenheid onder de communisten, maar ze werden door “De Tribune” nog beschimpt.

Brommert wist in Hoogezand, in de omgeving waar de CPH-CC altijd sterk was geweest, nog een nieuwe CPN-afdeling op te richten. Maar de herenigde partij beviel hem niet, te meer omdat de Wijnkoop-aanhangers voortdurend belasterd werden.

In de tweede helft van 1934 vertrok Brommert, nadat Kampfraath en zijn zoon hem voor waren gegaan, naar Zuid-Afrika om daar een nieuw bestaan op te bouwen. Hij mocht zich er niet met politiek bemoeien en hield zich in leven met tal van baantjes. Brommert is in 1975 in Johannesburg overleden. Zijn lichaam werd ter beschikking gesteld van de wetenschap.

Boertje gemaakt

Toen we trouwden in 1919, heb ik tegen mijn vrouw gezegd: Ik blijf niet in het veen. En in 1926 werd ik klein boer. De Landarbeiderswet stelde veenarbeiders in de gelegenheid om tegen aantrekkelijke voorwaarden geld van de regering te lenen om op dalgrond te gaan boeren. De boerderij kostte f. 2400,- en de twee hectaren grond samen f 1800,- Voor zo’n regeringsvoorschot mocht je niet boven de f. 4000,- uitkomen; daarvan kreeg je dan 90 procent en na dertig jaar was het je eigendom.

Drie dagen in de week was ik aan het bolster graven en verdiende daar dan precies acht gulden mee in totaal. De andere drie dagen was ik thuis boer. Het werd een mislukking kun je wel zeggen.

Van veenarbeiders kon men geen boertjes maken. Ook die twee hectare was natuurlijk een foute gedachte van Den Haag. Het was veel te weinig. Met wat extra geleend geld zijn we toen tuinbouw begonnen en hebben er anderhalf hectare bijgekocht. Maar dat was op zeker moment ook helemaal van de latten. Eén cent per kilo spitskool en dan ook nog een besmettelijke koolziekte in het veld.

Het bleef een armoedig spultje hier. In de twintiger jaren kwamen we bovendien nog onder de liefdadigheid te lijden. Wagons vol goederen en kleren kwamen uit alle delen van het land. Godbewaarons, nooit geen steuncomité ’s meer. Allemaal haat en nijd en grote problemen bij de uitdeling. En dan dat armoedige gevoel hé. Afgedragen kleren van anderen.

Schreiende nood

Op 9 januari 1921 stonden bij de gemeentelijke dienst der werkloosheidsverzekering en arbeidsbemiddeling te Emmen precies 5091 veenarbeiders ingeschreven en 85 personen uit andere beroepsgroepen.

Burgemeesters en Commissarissen der Koningin overal in het land riepen in advertenties hun onderdanen op tot “Steun van de noodlijdende arbeidersgezinnen in de veenstreken”. Een collecte in Den Helder bracht die januari-maand f. 1445,55 op. Inzamelingen allerwege en van drie, vier zijden rukten hulpcolonnes op naar het Drentse veen.

Het Centraal Algemeen Comité in Emmen dat de inzameling en hulpverlening coördineerde, ging echter gebukt onder een verzuilde verdeeldheid. De christelijken en katholieken vreesden overheersing van de SDAP en de moderne bond in het Algemeen Comité, ze zouden uit zijn op politiek gewin. De laatsten gispten de confessionelen voor de door hen veroorzaakte verwarring die afbreuk deed aan de actie, aldus de beschuldiging van die zijde.

”Een Godschrijnend schandaal, die treurige verdeeldheid in de steunbeweging voor de veenarbeiders en de anderen die door ons rotmaatschappelijk stelsel tot hongeren gedoemd zijn”, luchtte een schrijver zijn hart in de Emmer courant. Schreiende nood in de venen van Drenthe, heette het boekje dat de confessionele organisaties in Nederland verspreidden ten behoeve van de geldinzamelingen.

Toen begin januari 1921 de Algemene Landarbeidersbond, afd. Klazienaveen, twee landelijke vakbondsbestuurders als spreker te gast had op de vergadering, namen die geld en kledingstukken mee, waarvan de “uitdeling morgen” zou plaatsvinden, zo werd meegedeeld.

Lokaal bestuur

In 1927 ben ik wethouder geworden. Voor de Rooms Katholieke Staats Partij was ik in de raad van Emmen gekomen. Achttien tot negentien procent van de bevolking hier is katholiek en die kwamen met de invoering van het beginsel van de evenredige vertegenwoordiging even na de Eerste Wereldoorlog ook aan de bak. Voor die tijd hadden de Unie-liberalen, de boeren en de verveners, de dienst uitgemaakt in de gemeenteraad. Tot 1962 ben ik wethouder van volkshuisvesting geweest. En maar één raadsvergadering verzuimd.

(Hemel vertelde mij: “Reuvers is altijd een eigenzinnig mens geweest. Hij was lid van een democratische organisatie, maar had nog al eens problemen met de spelregels. Door niets en niemand liet hij zich van zijn plan afbrengen. Hij bleef gewoon thuis, als het hem in het college van Burgemeester en Wethouders niet zinde. En die oude Gaarlandt, de burgemeester, stuurde dan maar weer zijn auto met chauffeur van huis op te halen”).

De problemen zijn nooit verdwenen in dit gebied. Ik heb de hele ontsluiting meegemaakt. Zesduizend werklozen in de winter. AKU naar Emmercompas en Enkalon naar Emmen. Later waren ze allebei van Enka Glanzstoff.

Het gemeentebestuur had toen drie cirkels rond Emmen uitgetekend, waarbinnen industrievestigingen zouden moeten komen. De omgeving rond Emmercompas met Nieuw Weerdinge, Nieuw Amsterdam met Erica en de streek Klazienaveen met Zwartemeer. Van Emmen zelf wilden we een mooi dorp houden. Het is er niet van gekomen.

Ik heb nog met directeuren van Philips in het veen gegraven als demonstratie, want we wilden Philips naar Klazienaveen krijgen. We dachten ook dat het zou lukken. Kwam niet. We hebben nog de vogels uit de bomen gepraat om een tweede fabriek van AKU ook in een buitenplaats te laten bouwen. Vergeefs, AKU wilde beslist in een plaats met 30.000 inwoners.

Dan maar een borrel

Toch kwam er wat industrie-werk van de grond. En de veenarbeiders, voorzover ze niet weggetrokken waren of werkloos bleven of arbeidsongeschikt bleken, gingen ander werk doen. En kregen sociale bemoeienis over zich heen. Om het veranderingsproces te begeleiden, zoals dat genoemd werd door de commissies.

Ik had er de pest over in, al die hulpverleners die toen kwamen toestromen. Mensen, mensen laat ze dan maar een borrel meer drinken, als ze wat meer geld om handen krijgen. Ja toch. Net of de mensen na zo’n veenverleden nu tot de kinderlijke staat terugkeerden.

Mijn vaders lijfspreuk was:  Eerst je plicht doen en dan hoef je je door geen mens te laten trappen.

Hendrikus Lodewikus (Rieks) Reuvers werd 86 jaar oud en overleed op 22 december 1979.

Naast dit verhaal door de schrijver Sietse van der Hoek opgetekend uit de mond van Hendrikus Lodewikes (Rieks) Reuvers bevat het boekje “Hopend op een vrijer leven” ook nog verhalen van Anne en Dien de Vries uit Emmer Compascuum, Johannes Hemel uit Barger Compascuum en Coevorden, Berend de Vries uit Zwartemeer, Sieger en Hermine de Vries uit Klazienaveen, Hendrik de Vries uit Barger Compascuum, Gerrit Moes uit Barger Compascuum.

4 reacties op “Hopend op een Vrijer Leven”

  1. Jan Reuvers schreef:

    Geweldig mooi verhaal Rieks Reuvers was een broer van mijn opa Jan Reuvers.

  2. Francien Boeve-Hofstede schreef:

    Mooi stukje geschiedenis! Rieks Reuvers woonde later met zijn vrouw naast mijn grootouders en kweekte prachtige dahlia’s in zijn tuin tijdens zijn pensionering

  3. Bertus Reuvers. zoon van Rieks schreef:

    Mijn vaders lijfspreuk was: Eerst je plicht doen en dan hoef je je door geen mens te laten trappen.
    Deze lijfspreuk, gesproken door de vader van mijn vader, werd ook op ons toegepast. Plichtsbesef was voor hen een hoog goed.

  4. Henk Sijbom schreef:

    En dan heeft men het over die goede ouwe tijd.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *


3 + = vier

Deze website gebruikt Akismet om spam te verminderen. Bekijk hoe je reactie-gegevens worden verwerkt.