Genealogie van familie Os van Anna Aleida

Geplaatst op 19-01-15

Stamreeks

Van

Anna Aleida van Os

IMG_2856

(geb. Erica 28-05-1937)

 

 

 

1e generatie.

Jacobus Hubertus van Os, geb. Rheezerveen 31-01-1831, zn. van Marijn (Marinus) van Osch, arbeider, overl. Emmen 01-10-1893, oud 62 jaren en 7 maanden, begr. Rk. Erica 05-10-1893, trouwde te Avereest op 01-08-1856 met Christina de Klerk, geb. Groningen 26-12-1832, ged. Rk., dr. van Adriana de Klerk en NN, overleden Emmen 30-08-1911, begr. Erica 02-09-1911, oud 77 jaren.

Uit dit huwelijk:

  1. Marein van Os, geb. Avereest 23-07-1857, volgt 2e generatie.
  2. Johanna van Os, geb. Avereest 30-08-1859
  3. Johannes van Os,, geb. Emmen 23-02-1862
  4. Maria van Os, geb. Emmen 16-07-1864
  5. Johanna van Os, geb. Emmen13-01-1867
  6. Jacoba Hubertha van Os, geb. Emmen 03-07-1870
  7. Christina van Os, geb. Emmen 02-06-1873
  8. NN, geb. Emmen10-04-1875
  9. Johanna Carolina Geertruida van Os, geb. Emmen 18-09-1878

 

 

Jacobus heeft gediend bij het regiment infanterie, diensttijd 5 jaren en is behoorlijk uit de dienst ontslagen.Het gezin vestigde zich op 23 februari 1863 te Emmen en woonde toen in het Amsterdamscheveld, komende van Avereest.Jacobus was niet alleen turfmaker maar ook wijkgraver, dit kon omdat beide werkzaamheden in verschillende seizoenen plaats vonden..Wijk graven was vakwerk en voordat met het graven begonnen kon worden moest eerst de ligging nauwkeurig worden uitgemeten. Het echte graven werd gedaan in meerdere ploegen met steeds een “stekker” en meerdere “hakkers”. De stekker stond op de bodem van de nieuwe wijk en stak telkens een juist afgemeten stuk grond af en gooide in een vloeiende beweging richting hakker. Deze ving de grond in de vlucht op zonder dat deze brak en gooide de grond naar de volgende hakker, enzovoort. Op deze manier waren meerdere ploegen aan weerskanten van de wijk bezig met het graven. Elk jaar werd de wijk met honderd tot twee honderd meter verlengd, gelijk op met de vervening.Jacobus deed het werk van Anna Aleida van Os 1stekker, dit was zwaar werk. De stekker stond in hemd en onderbroek en met blote voeten te werken. Bij lichte vorst moest ‘s morgens eerst een dun laagje ijs met blote voeten stuk worden getrapt. Dit graven duurde tot de winter inviel en de vorst het werken onmogelijk maakte. Voor het wijkgraven gold een tarief van 25 stuivers per dag plus een dubbel maatje jenever (ongeveer 4 borrels) en overwerk of extra werk werd met jenever betaald. Nabij de Strengdijk te Erica is een wijk naar Jacobus vernoemd, het “Kobuswiekie’. Jacobus werd ziek, kon het zware werk niet meer doen en moest omzien naar ander werk. Bij de gemeente Emmen vroeg hij ondersteuning aan, maar dit verzoek werd afgewezen met de mededeling dat hij zich voor ondersteuning moest wenden tot de pastoor van Dedemsvaart. Later kreeg hij wel ondersteuning van de gemeente Emmen, die het vervolgens declareerde bij de gemeente Avereest. Zo kreeg hij b.v. in 1866 12,9; in 1867 7,50 en in 1868 18,21 gulden ondersteuning. In de 19e eeuw steeg de behoefte aan brandstof door de groeiende bevolking en de toenemende nijverheid. Om aan  de vraag te kunnen voldoen en omdat andere veengebieden uitgeput raakten, zoals de omgeving van Avereest, Hardenberg en Smilde, maakte men in het midden van de 19e eeuw een begin met de ontginning van Zuidoost Drenthe. Om dit hoogveengebied te ontginnen moest het eerst ontwaterd worden. Daartoe werden wijken en kanalen gegraven; het graven werd vooraf gegaan door het graven van raaiën: ondiepe sloten die jaarlijks uitgediept werden. Was het veen voldoende ingedroogd dan kon men met het graven van de wijken beginnen. Vanuit drie richtingen werd het Anna Aleida van Os 2veengebied aan “snee” gebracht. De noordelijke aansluiting kon men aansluiten op de vervening langs het Groningse Stadskanaal, de westelijke ontsluiting door de verlenging van de Hoogeveense Vaart door de Drentsche Kanaal Maatschappij (DKM). De 3e, de noordwestelijke, geschiedde door de aanleg van het Oranjekanaal door de Drentsche Veen- en Middenkanaal Maatschappij (DVMKM), ook wel Oranjekanaal Maatschappij genoemd. Voor het graven van raaiën en het graven van de Bladderswijk kwamen, vóór 1856, een aantal mensen uit Slagharen en Dedemsvaart naar de gemeente Emmen. Nadat de Bladderswijk- die onder leiding van Frederic Bladder (1818-1878) en in opdracht van aannemer Zwiers uit Dedemsvaart was gegraven- in 1862 werd opgeleverd, bleef een aantal arbeiders achter in Zuidoost Drenthe, o.a. Henderikus Kotterik, Geert Tien, Geert Veltrop en anderen. Zij vestigden zich op een uitloper van de Hondsrug als boekweitboertjes. De bewoners wilden hun nederzetting Nieuw Slagharen noemen, maar de toenmalige burgemeester wilde daar niets van weten. Hij veranderde Nieuw Slagharen in Erica, naar de dopheide die daar groeide. Toen ook in 1860 de Verlengde Hoogeveensche Vaart vanuit Nieuw Amsterdam werd doorgetrokken, kwam het veen in de omgeving van Erica, het z.g. Barger Westerveen, aan snee. Omdat dit gebied langzaam maar zeker ontsloten werd door het graven van vaarten en wijken, kwamen er veel mensen uit allerlei streken naar deze omgeving. Mensen vooral uit Ambt Hardenberg en Dedemsvaart vestigden zich op de plek waar nu Erica ligt. Op 12 juli 1880 werd bij koninklijk Besluit aan de DKM concessie verleend tot het verder graven van de Hoogeveensche Vaart. Niet in oostelijke richting zoals de bedoeling was, maar in noordoostelijke en dan na enkele kilometers in oostelijke richting. In 1889 bereikte het kanaal de Dorsebrug te Klazienaveen en in 1893 de grens met Duitsland.

2e generatie.

Marein van Os, geb. Avereest 23-07-1857, arbeider, overl. Emmen 04-08-1928, oud 71 jaren, begr. Erica 08-08-1928, trouwde te Emmen op 25-03-1881 met Anna Aleida Wehkamp, geb. Dalen 06-10-1859, ged. Rk. Nieuw Schoonebeek, dochter van Berend Hendrik Wehkamp en van Maria Anna Kremers, overl. Emmen 22-04-1934, oud 74 jaren, begr. Erica 25-04-1934.

Uit dit huwelijk:

      1. Jacobus Hubertus van Os, geb. Emmen 06-03-1882
      2. Maria Anna van Os, geb. Emmen 23-02-1884
      3. Berend Harm van Os, geb. Emmen 22-06-1886
      4. Christina van Os, geb. Emmen 09-08-1888
      5. Johannes van Os, geb. Emmen 11-09-1890, volgt 3e generatie
      6. Anna Maria van Os, geb. Emmen 14-0-6-1893
      7. Johanna van Os, geb. Emmen17-06-1896
      8. Euphemia Maria van Os, geb. Emmen 17-03-1899, overl. te Emmen 12-03-1900, oud 11 maanden, begr. Rk. Erica
      9. Marein van Os, Emmen 21-01-1901, overl. Emmen 14-05-1905, oud 4 jaren en 4 maanden, begr. Rk. Erica
      10. N.N, kind v.h. vrouwelijk geslacht, geb. Emmen 15-04-1904

Een brief van Vincent van Gogh, geschreven in 1883, geeft een goed beeld van hoe het landschap er in de tweede helft van de negentiende eeuw uitzag. Over dit wijde, vrijwel boomloze veen- en heidelandschap schrijft hij: “het landschap hier en daar geaccentueerd door een plaggenhut of kleine boerderij  of een paar schrale berkjes, populieren of eiken…. Overal stapels turf. Hier en daar wat magere koeien, dikwijls schapen, varkens….en aan de horizon een menigte lage daken van kleine keten….”.  De turfgraverij was seizoenarbeid en begon omstreeks half maart.Het seizoen duurde meestal 12 weken, afhankelijk van het weer en de vraag naar turf. Daarna moest de turf nog droog gemaakt worden en dit werk werd gedaan door vrouwen en kinderen. De turven werden opgestapeld en herhaaldelijk gekeerd zodat ze verder konden drogen. Ook het op bulten brengen van de turf en het laden van schepen was vrouwenarbeid. De veenarbeider moest wel zijn vrouw en kinderen laten meewerken om zo enig inkomen te verkrijgen. De meeste mensen woonden in slechte behuizing en de huishoudelijke en sociale toestanden waren verre van rooskleurig. Er bleef weinig tijd over om de keet schoon te houden en kleren te wassen en te verstellen. Voor de dagelijkse maaltijd was weinig geld en tijd beschikbaar, bovendien moest het vaak op her veld klaar gemaakt worden. Het is dan ook niet verwonderlijk dat menigeen troost zocht in sterke drank. Evangelist Jonker schreef over dit misbruik: “zo ergens, dan heersen in de veenkoloniën de drankgewoonten en de drankellende. Bij het laden van schepen, bij bruiloft en begrafenis, als men naar de winkel gaat of naar de markt, altijd drinken”.  Doordat de verkoop van turf in de jaren 1880 door de landbouwcrisis terug liep en door de lage lonen die betaald werden, ontstond er grote ontevredenheid. De zaken gingen dus niet meer zo goed bij de grote verveners. Verschillende van hen trokken weg en in plaats zelf het veen te vergraven verhuurden ze jaarlijks de veenputten. Winkeliers, boeren en veenbazen huurden deze putten en gingen die voor eigen rekening vervenen. Mede daardoor ontstonden vele mistoestanden, o. a. de gedwongen winkelnering. De arbeiders kregen zelden geld. De werkgevers schreef alles op een briefje, dat dan weer goed was om voor een bepaald bedrag aan winkelwaar bij hem te kopen. Er werd dus op krediet gekocht, men was vaak duurder uit en de waar was ook vaak van niet zo’n beste kwaliteit. Het was dan ook geen wonder dat de mensen tegen deze toestanden in verzet kwamen: in het voorjaar van 1888 was het zover; het “Bollejagen” (werkstakingen) in het veen was begonnen. Werkstakingen kwamen veel voor in 2e helft van de negentiende eeuw en duurden slechts heel kort, meestal een paar uur, soms een dag. Maar de staking van 1888 was anders; internationaal roerden de socialisten en anarchisten zich. In de grote steden, vooral Amsterdam, groeide het verzet tegen de armoede, uitbuiting en werkloosheid. De staking van 1888 in de venen begon in Nw. Amsterdam en verspreidde zich heel snel door het hele veengebied. Tijdens deze staking vonden diverse incidenten plaats, winkels werden geplunderd en ramen in de huizen van de verveners werden stuk gegooid. Burgemeester Thijmes van Emmen, door deze acties verrast, vroeg ijlings versterking aan. Met deze versterking, infanteristen en cavaleristen, hoopte hij verdere escalaties te voorkomen. Door gebrek aan organisatie verliep de staking na enkele dagen, maar vooral ook omdat de arbeiders die dagen geen inkomsten hadden. Van het behaalde resultaat door de veenarbeiders was tenslotte weinig overgebleven. De loonsverhogingen werden terug gedraaid, de stakingsdagen niet uitbetaald en de gedwongen winkelnering bleef bestaan.

3e generatie.Johannes van Os, geb. Emmen 11-09-1890, arbeider, overl. Emmen 26-06-1971, oud 80 jaren en 9 maanden, begr. Rk. Erica 29-06-1971, trouwde (1) te Emmen op 15-05-1920 met Maria Margaretha Ahlers, geb. Emmen 06-05-1883, dochter van Herman Wessel Ahlers en Fenna Maria Schulte, naaister, overl. Emmen 01-02-1929, oud 45 jaren en 8 maanden, begr. Rk. Erica 05-02-1929, trouwde (2) te Emmen op 07-10-1931 met Margerethe Adelheid Anna Assen, geb. Emlichheim (Dld)31-10-1899, werkster, dochter van Albert Stephan Assen en Anna Maria Wehkamp, overl. Emmen 06-04-1993, oud 93 jaren en 5 maanden, begr. Rk. Erica.

  • Uit 2e huwelijk:
    1. Martinus Albertus van Os, geb. Emmen 06-08-1932
    2. Maria Margaretha van Os, geb. Emmen 28-01-1934
    3. Anna Maria van Os, geb. Emmen 07-05-1935
    4. Anna Aleida van Os, geb. Emmen 28-05-1937, volgt 4e generatie
    5. Albertus Stephanus van Os, geb. Emmen 29-12-1938
    6. Maria van Os, geb. Emmen 03-07-1940
    7. Johannes van Os, geb. Emmen 14-12-1944

     

     

    Na de lagere school ging Jans in het veen werken. Voor de 1e wereldoorlog werkte hij samen met zijn vader in een veenderij in Duitsland. Zij werkten o.a. in Papenburg omdat in Duitsland de lonen hoger waren. Samen hadden ze één fiets en om op tijd op hun werk te komen vertrokken ze reeds op zondagmiddag. De een nam de fiets en zette die na ongeveer een half uur fietsen over zand- en veenwegen, op een vooraf afgesproken plek  en liep vervolgens verder. De ander pakte de fiets en fietste verder en zo ging dat om en om. In augustus 1914 brak de eerste wereldoorlog uit en Duitse troepen trokken België binnen om Frankrijk aan te vallen. De Belgen verzetten zich heftig, maar tegen dit moderne leger waren ze niet opgewassen. Nederland was neutraal, maar riep op 1 augustus 200.000 man onder de wapenen en ook Jans was daarbij. Hij werd ingedeeld bij het 1e Regiment Vesting Artillerie 9e compagnie en gelegerd op de “knobbel” bij ’t Harde. Hij heeft ook “gelegen” bij Halfweg, Woerden en in de Beemster. Toen na de slag om Antwerpen 35 000 Belgische militairen naar Nederland uitweken, moesten deze mannen worden ontwapend en geïnterneerd. Nederlandse soldaten, ook Jans, moesten deze kampen bewaken. Na de oorlog kwam hij, zoals zo velen, door de aanhoudende turfcrisis terecht bij de werkverschaffing. Op de fiets naar het Zwinderse veld en naar Witteveen om daar van woeste grond cultuurgrond te maken. In 1926 maakte hij gebruik van een regeling van de Landarbeidersbond die veenarbeiders in de gelegenheid stelde om, tegen aantrekkelijke voorwaarden, geld te lenen van de regering om te boeren. Jans kocht een stuk grond met woonhuis en begon een tuinbouwbedrijf. Met de tuin was het maar een zorgelijk bestaan; oogsten die soms gedeeltelijk mislukten en vaak was er op de veiling te veel aanbod. De kool en andere groente werden dan doorgedraaid en de tuinder kreeg een z.g. garantieprijs, welke meestal onvoldoende was om de kosten te dekken. In 1948 stopte hij met de tuinbouw en nam een baan aan bij de firma Vos, aannemer van grondwerken. De firma voerde werken uit voor o.a. de NAM, zoals ondergrondse pijpleidingen.

     

     

    4e generatie.

    Anna Aleida van Os, geb. Emmen 28-05-1937, secretaresse, trouwde te Emmen op11-08-1959 met Gerhardus Hermannus Johan Kolker, geb. Emmen 11-07-1933, Konstrukteur wtb., zoon van Herman Joseph Kolker en Aleida Bladder.

    Uit dit huwelijk:

    1. Herman Joseph Kolker, geb. Emmen  08-07-1960
    2. Margeretha Adelheid Anna Kolker, geb. Emmen 01-05-1963
    3. Johanna Heleen Kolker, geb. Emmen 09-06-1966

 

 

Bron:Gem.Archief Emmen, Drenlias ,Genlias.
RK. Kerkarchief Erica

 

“Historische Kring Erica”
Samengesteld door Gerard H.J.Kolker
13-02-2012